• Leestijd:4 minuten gelezen

Het is een rijk en kleurrijk palet.
Met 1 november vieren we het feest van Allerheiligen. Dag aan dag, het hele jaar door, viert de kerk de grote en bekende heiligen. Sommigen zijn ons dierbaar. Zij die onze namen dragen, onze instellingen, kortom de patroonheiligen die bijzonder zorg voor ons dragen, en de heiligen waaraan onze parochies zijn toegewijd, ons beroep, ons land, en bovenal ook hen die ons te hulp komen in grote moeilijkheden. Voor alle omstandigheden van het bestaan is er een specifieke Heilige. Het is een rijk en kleurrijk palet van mensen die heldhaftig of moedig op hun plaats en in hun tijd christen zijn geweest. Soms is het inderdaad hun nederigheid of hun toewijding die ons treft, hun twijfel en zoekend geloof, de edelmoedigheid van hun bestaan. Zo blijven ze ook na de dood met onze wereld verbonden.

Zo klinkt de vraag van God.
Wie heeft in deze oktobermaand niet met de rozenkrans gebeden tot Maria? Met haar ja-woord heeft zij de heilige Geest in haar leven toegelaten. Hij klopte bij haar aan, en zij, van haar kant, opende de deur van haar hart . Zo klinkt de vraag van God tot iedere mens om bij ons thuis te mogen wonen. Hij wil mijn werk, mijn ontmoetingen en zelfs mijn zorgen inspireren. In het getuigenis van het evangelie omtrent Maria komt sprekend naar voor hoe zij steeds stiller wordt en meer van God vervuld. We bidden tot Maria voor de twee belangrijkste momenten van ons leven: ‘nu en in het uur van onze dood’.

Heer naar wie zouden wij gaan?
Natuurlijk leven ook twee apostelen Petrus en Paulus in onze gedachten. De icoon van deze heiligen toont hen, zij aan zij, met de kerk op hun schouders. Eens waren zijn vurige verkondigers, nu bidden zij elke dag het gebed van Jezus voor zijn kerk. “Vader, bewaar hen allen in uw naam, die Gij aan Mij hebt toevertrouwd”. Vandaag hebben we vele vragen omtrent de toekomst van de kerk. Wat kunnen we beter doen, wat moet dringend anders? Hoe moeten wij leven opdat het een transparante getuigenis wordt en Jezus waarlijk in het leven van volwassenen en kinderen werkzaam zou kunnen zijn. Met Petrus moeten wij nu maar belijden: “Heer, naar wie zouden we gaan, Gij hebt woorden van eeuwig leven”.

De arbeider in het huis van vertrouwen.
Ook Sint Jozef wil ik bijzonder noemen. Hij leefde niet voor zichzelf. Hij wilde zelf vergeten en trouw ten dienste staan van het kind dat aan hem was toevertrouwd. Wie zijn werk aan Sint Jozef opdraagt weet het in veilige handen. Hij is de arbeider in het huis van vertrouwen. Trouw aan een gegeven woord mogen we in zijn voorbeeld een weg vinden om dicht bij Jezus te zijn.

Ook Antonius, Franciscus en Vincentius zijn me dierbaar. Levend, elk in hun tijd en in een eigen wereld maakten zijn keuzes voor een leven in navolging van de Heer. Ze hebben zich op merkwaardige wijze ingezet voor het geloof: bij de verkondiging, bij het beleven van een universeel broederschap, met een inzet voor de armen. Maar bovenal zijn ze door de tijden heen een verwijzing naar Jezus gebleven.

Overgave aan Gods toekomst.
Als kind gingen we wel eens naar Lisieux, om er de Heilige Thérèsia in het Karmelklooster te begroeten. Mijn vader was als kind met zijn ouders naar daar gevlucht. Op de plaats waar nu de basiliek staat, zo vertelde hij ons, stond toen een armenhuisje waar hij als kind enkele oorlogsjaren had doorgebracht. Deze heilige had een kinderlijk en moedig vertrouwen op de Heer, ook in dodere dagen. In die overgave aan Gods toekomst heeft zij in de nacht van het geloof sterkte gevonden.

Onze dierbaren roepen ons op.
Zo zijn er de vele heiligen, maar in de diepte van ons hart dragen we ook de herinnering aan dierbare mensen, ons voorgegaan. Met dit feest willen we hen in de liturgie gedenken. We noemen hen niet heilig als de groten, want we weten wel dat ze ook zondaar waren. Maar we hebben hen toevertrouwd aan Gods barmhartigheid en dat geeft ons de zekerheid dat ze nu leven in zijn genade. Eens hebben zij zorg voor ons gedragen en liefde met ons gedeeld. Het kan niet dat ze ons nu vergeten zouden zijn. En ook al delen ze in die zo andere wereld van God, op een of andere wijze roepen ze ons nu op tot een moedig bestaan. Ook vroeger, toen ze onder ons waren verlangden ze dat wij voluit zouden leven met al onze talenten en mogelijkheden. Dat blijven ze doen en daarom mogen we vragen om hun voorspraak. Zo leven wij, en willen we maar al te graag geloven dat het wel en wee van elke dag hen ter harte gaat.

Deken Antoon