Homilie voor de 10de zondag door het jaar

9 juni 2024

Evangelie: Marcus 3,20-35
In die tijd ging Jezus naar huis en weer stroomde zoveel volk samen dat zij niet eens gelegenheid hadden om te eten. Toen zijn verwanten dit hoorden trokken zij erop uit om Hem mee te nemen, want men zei dat Hij niet meer bij zijn verstand was. De Schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren zeiden dat Beëlzebub in Hem huisde en dat Hij door middel van de vorst der duivels de duivels uitdreef. Hij riep hen bij zich en sprak tot hen in gelijkenissen: “Hoe kan de ene satan de andere uitdrijven? Wanneer een rijk innerlijk verdeeld is kan dat rijk geen stand houden. Wanneer een huis innerlijk verdeeld is zal dat huis geen stand kunnen houden. En wanneer de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij geen stand houden, maar is zijn einde gekomen. Bovendien, niemand kan binnendringen in het huis van een sterke om zijn huisraad te roven als hij niet eerst die sterke heeft gebonden. Dan pas kan hij zijn huis leeghalen. Voorwaar, Ik zeg u: alle zonden zullen aan de mensen vergeven worden, ook alle godslasteringen die zij uitgesproken hebben, maar als iemand lastert tegen de heilige Geest krijgt hij in eeuwigheid geen vergiffenis; hij is bezwaard met een eeuwig blijvende zonde.” Dit omdat zij gezegd hadden: er huist een onreine geest in Hem. Eens kwamen zijn moeder en zijn broeders, en terwijl zij buiten bleven staan, stuurden ze iemand naar Hem toe om Hem te roepen. Er zat veel volk om Hem heen, dat het bericht doorgaf: “Uw moeder en uw broeders daarbuiten vragen naar U.” Hij gaf hun ten antwoord: “Wie is mijn moeder, wie zijn mijn broeders?” En terwijl Hij zijn blik liet gaan over de mensen die in een kring om Hem heen zaten zei Hij: “Ziehier mijn moeder en mijn broeders. Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil van God volbrengen.”

Afbeelding van Reissaamme via Pixabay
(Verwijzend naar de eerste lezing van deze zondag…)

Wat zouden we kunnen doen om de invloed,
die iemand kan hebben op onszelf, op onze geliefden of op sociaal kringetje
in te dammen, tegen te houden of weg te werken?
We zouden die iemand voor ‘gek’ kunnen verklaren,
dus presenteren als iemand naar wie niet te luisteren valt.
We proberen dus het denken van anderen over die iemand te beïnvloeden
door kwaad over die persoon te spreken.
Zo probeerde ook de slang, mythologische afbeelding van het kwaad, van Satan,
het denken van de eerste mensen al te beïnvloeden.
Maar dit soort kwaadspreken is wellicht niet aanwezig bij de verwanten van Jezus.
Ze willen Hem eerder tegen zichzelf beschermen,
ze willen Hem doen ophouden met zijn manier van denken, spreken en handelen,
misschien ook omdat ze vrezen
dat Hij zijn familie daarmee ook in een slecht daglicht stelt en schade kan berokkenen.
Het is een mildere versie dan iemand openlijk voor gek verklaren,
hoewel een uitval als: “Ge zijt zot!” ook hier niet onmogelijk is.
Maar het kan ook vertrouwelijker klinken als:
“Met wat je zegt en doet ben je niet verstandig bezig, ben je niet goed bezig.”
Maar wat Jezus zei en deed was echter  in overeenstemming met de wil van de Vader.
Waarom dan konden of wilden de verwanten van Jezus
– volgens Marcus zijn moeder wellicht ook nog niet –
die wil van God niet herkennen en erkennen in wat Jezus zei en deed,
waarom konden of wilden ze in Jezus niet de openbaring van God zien?
Misschien zat hun denken over God en over geloof daar voor iets tussen
waardoor het voor hen onmogelijk was om hun timmerman ernstig te nemen,
en zijn woorden en daden als openbaring van Gods wil te aanvaarden.
In de ogen van Jezus is dit ongeloof.
En zo lezen we verder in het Marcusevangelie dat ook de mensen van Nazareth
aanstoot aan Hem namen en Jezus er verwonderd was over hun ongeloof
en Hij in Nazareth daarom geen enkel wonder kon doen.
De Schriftgeleerden uit Jeruzalem proberen Jezus ook te stoppen,
maar hun weerhouden is eigenlijk een poging
tot definitief uitschakelen en het zwijgen opleggen.
Iemand beschuldigen is nog wat anders dan iemand voor gek verklaren.
Politieke tegenstanders maakt men niet af door hen gek te verklaren. Dat is te zwak.
Men moet hen beschuldigen. Dat is zwaar geschut.
Beschuldigen van corruptie, van spionage, van leugens, van gesjoemel,
of erger, van seksueel misbruik.
Dat heet ‘criminaliseren’, hen in de criminele sfeer plaatsen.
Uiteraard kunnen politieke en ook kerkelijke figuren zich aan zo’n zaken verbranden,
maar als tegenstander wrijf je in je handen wanneer ze daarmee het wapen aanbieden
waarmee je hen wil treffen en vernietigen.
Jezus werd door de Schriftgeleerden niet ‘gecriminaliseerd’
maar wel ‘gedemoniseerd’, wat in zijn tijd al even erg was.
Wat Hij doet is voor hen ronduit slecht, want het is onder leiding van de duivel.
Hij is een Satansdienaar, een medewerker van het kwaad.
Maar Jezus liet zich echter leiden door de Geest van God!
Waarom konden of wilden de Schriftgeleerden in Jezus’ optreden
niet de werking van Gods Geest herkennen en erkennen
en manipuleerden ze door hun beschuldigingen slangachtig de publieke opinie?
Het zou ook kunnen te maken hebben met een ander Godsbeeld,
een andere kijk op wat geloven is, maar zeker is ook
dat Jezus een gevaar betekende voor hun religieuze machtspositie.

En hoe staan wij tegenover Jezus en zijn verkondiging?
Delen we de bewondering en het kudde-enthousiasme van de menigte,
die Jezus opeist, geen tijd laat om te rusten, te eten,
misschien ook niet om eens zichzelf te zijn?
Geloof moet toch meer zijn dan enthousiasme en bewondering voor wonderen.
Ja, het is de wil van de Vader volbrengen.
De massa behoort kennelijk niet tot de echte familie van Jezus.
Uiteraard delen we de uitgesproken anti-houding van de Schriftgeleerden niet,
en willen we wel belijden dat Jezus de Zoon van God is,
en dat in en door en met Hem God zich openbaarde in de wereld.
Misschien hebben we wel sympathie en begrip
voor het ridiculiseren, demoniseren en criminaliseren van leidende figuren in de Kerk,
waarvoor – zoals algemeen geweten – velen aanleiding gaven en geven.
Maar misschien kunnen ook wij nog erkennen
dat in deze gemeenschap van zwakke mensen en zondaars,
de Geest van God toch nog aanwezig en werkzaam is
en er de verkondiging van Jezus toch nog te beluisteren valt,
hoe aanstotelijk en ergerlijk dit ook moge klinken.
En ook dat die verkondiging ons oproept om Gods wil te laten geschieden:
liefde, rechtvaardigheid, vrede en vreugde.
Of voelen we ons als de verwanten van Jezus ook ongemakkelijk in deze tijd
omwille van onze verwantschap met Jezus,
en omwille van hetgeen Jezus van ons vraagt,
omwille van wat geloven echt betekent:
op een radicale wijze steeds kiezen voor de wil van de Vader,
hetgeen soms het pijnlijke loslaten van onze eigen wil en comfortzone inhoudt,
Of zijn we bij de mensen die in een kring om Jezus heen zitten,
de werkelijke verwanten van Jezus, niet omdat er een bloedband is,
niet omdat er een emotionele binding is,
maar omdat ze de wil van de Vader volbrengen?


Omslagfoto: Afbeelding van Reissaamme via Pixabay