Homilie voor de 4de zondag van de veertigdagentijd

14 maart 2021

Joh 3, 14-21
In die tijd sprak Jezus tot Nikodemus: ‘De Mensenzoon moet omhoog worden geheven zoals
Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig
leven zal hebben. Zozeer immers heeft God de wereld lief gehad dat Hij zijn eniggeboren
Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan maar eeuwig leven
zal hebben.
God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen,
maar opdat de wereld door Hem zou worden gered. Wie in Hem gelooft wordt niet
geoordeeld, maar wie niet gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam
van de eniggeboren Zoon Gods.
Hierin bestaat het oordeel: het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden de
duisternis meer dan het licht, omdat hun daden slecht waren. leder die slecht handelt heeft
afschuw van het licht en gaat niet naar het licht toe, uit vrees dat zijn werken openbaar
gemaakt worden. Maar wie de waarheid doet gaat naar het licht, opdat van zijn daden moge
blijken dat zij in God zijn gedaan.’

Zozeer immers heeft God de wereld lief gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven,
opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan maar eeuwig leven zal hebben.

Om dit vers is het ons vandaag te doen.
Om de daarin uitgedrukte geloofswaarheid is het te doen in het Johannesevangelie.
Drie begrippen formuleren die waarheid: liefde – geloven – leven.
Het onderlinge verband tussen die drie duidelijk maken
is een introductie in het gedachtengoed van de vierde evangelist
en tevens een initiatie in het christelijk geloof.
Ik durf zonder meer te stellen,
dat bovenstaand vers het credo van de evangelist Johannes bevat.

Iemand liefhebben is verlangen dat iemand leeft,
goed leeft en gelukkig leeft.
Dat goede en gelukkige leven van de geliefde is voor diegene die liefheeft
wezenlijk verbonden aan het eigen geluk, aan de eigen vreugde:
“Mijn geluk is dat jij leeft, goed en gelukkig bent.”
God heeft de mensen lief. Hij is verlangen naar geluk.
Door het inwonen van zijn Geest is dat liefdesverlangen ook in ons aanwezig.
Het verlangen van de liefde ervaren, het goede leven en geluk van een geliefde verlangen,
kan als een Godservaring geduid worden.

Liefde is dat verlangen ook omzetten in concrete zorg en verantwoordelijkheid
voor het leven en het geluk van de geliefde.
Liefde wordt ‘caritas’, een intensive care-bezigheid,
plaats de mens in een permanente zorgsector
van aandacht, aanwezigheid en concrete daden
waarin de liefde zich verwerkelijkt, waar maakt, openbaart.
De zorgende daad waarmee God zijn liefde verwerkelijkt
en verantwoordelijkheid opneemt voor het leven van de mensen
is het zenden, het geven van zijn Zoon,
opdat al wie in Hem gelooft eeuwig leven zal hebben.

‘Leven’ betekent meer dan ‘overleven’,
meer dan een constant zoeken naar beveiliging, bevrediging en bevestiging.
Het leven dat God voor de mens wil
is meer dan een angstig en behoeftig leven,
meer dan een genieten van een vrijheid om alles te doen wat we willen,
meer dan een antwoord bieden op materiële, psychologische en sociale behoeften,
meer dan beantwoorden aan wat de ‘wereld’ als een zinvol leven beschouwt.
Het gaat over ‘eeuwig leven’.
Het gaat over leven in eenheid met God,
een leven waarin de mens zijn wezen realiseert,
beantwoordt aan wat God voor de mens hoopt.
In de synoptische evangelische traditie – bij Marcus, Matteüs en Lucas –
wordt dat ‘eeuwig leven’ aangeduid door het begrip “Rijk Gods”,
maar komt het begrip ‘leven’ ook soms uitdrukkelijk aan bod
om aan te duiden waar het om gaat als je christen bent.
Marcus 8, 34 Nadat Hij behalve zijn leerlingen ook het volk bij zich had laten komen,
sprak Hij tot hen: “Wie mijn volgeling wil zijn,
moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.
35 Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, zal het redden.
36 Wat voor nut heeft het voor een mens de hele wereld te winnen
als dit ten koste gaat van eigen leven?
37 Wat toch zou een mens in ruil kunnen geven voor zijn leven?
Elders in het Marcusevangelie houden we ook halt bij de vraag
van een man die bij Jezus komt aanlopen (!) alsof zijn leven (!) er van afhangt:
Marcus 10, 17 Toen Hij zich weer op weg begaf, kwam er iemand aanlopen
die zich voor Hem op de knieën wierp en vroeg:
“Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?”
18 Jezus antwoordde: “Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.
19 Ge kent de geboden: Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen,
gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, gij zult niemand te kort doen,
eer uw vader en uw moeder.”
20 Hij gaf Hem ten antwoord: “Dat alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af.”
21 Toen keek Jezus hem liefdevol aan en sprak:
“Een ding ontbreekt u: ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen,
daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel.
En kom dan terug om Mij te volgen.”

Het weze vanuit deze verzen duidelijk
dat het verwerven van het eeuwig leven gelegen is in de navolging van Christus.
Het geloof in de gegeven Zoon is het navolgen van Christus.
Die navolging betekent zelfverloochening, je ‘leven’ verliezen,
het loslaten van dat angstige en zelfzuchtige ik.
Het bereiken van ware vrede en vreugde in eenheid met God
is het goddelijke leven in ons laten geboren worden
en daartoe moet men een innerlijkheid verwerven
waarin het ‘ik’ geen rol van betekenis meer speelt,
of zoals François Varillon het uitdrukte,
een leven leiden waarin ons ik minder storend en hatelijk is.
Het is een leven waarin we delen in het liefhebben van God,
het scheppend en verlossend liefhebben van God.
Het is een leven waarin we God in ons aan het werk laten.
Zoals Paulus het uitdrukt in de brief aan de Galaten:
2, 20 Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij.
Voor zover ik nu leef in het vlees, leef ik in het geloof in de Zoon van God,
die mij heeft liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor mij

Dit ‘eeuwig leven’ is dus niet het eten van rijstpap met gouden lepeltjes,
staat niet gelijk aan een naar de normen van de wereld gelukkig en geslaagd leven:
veel prestatie, veel kennis, veel kunde, veel bezit, veel aanzien.
Om opnieuw Paulus te raadplegen in zijn eerste brief aan de Korintiërs:
kunnen spreken met de tongen van engelen en mensen,
de gave der profetie bezitten, alle geheimen en alle wetenschap kennen,
het volmaakte ‘geloof’ hebben dat bergen verzet,
heel mijn bezit uitdelen, mijn lichaam prijsgeven aan de vuurdood,
dit alles wat zeker voor de godsdienstige en religieuze wereld geslaagd te noemen is,
is niets, als we niet één zijn met God en die eenheid niet zichtbaar wordt
in het enige waar het uiteindelijk om gaat: de liefde.
Want God is liefde, en roept dus tot leven.

Omslagfoto: fragment Michelangelo Buonarroti, Public domain, via Wikimedia Commons