Homilie voor de vijfde paaszondag

2 mei 2021

Lezing: 1 Joh 3, 18-24
Dierbaren, wij moeten niet liefhebben met woorden en leuzen maar met concrete daden.
Dat is onze maatstaf; daardoor krijgen wij de zekerheid dat wij thuishoren bij de waarachtige
God. Dan mogen wij ook voor zijn aanschijn ons geweten geruststellen ook als het ons
veroordeelt, want God is groter dan ons hart en Hij weet alles. Dierbaren, daar ons geweten
ons dus niet hoeft te veroordelen mogen wij vrijmoedig met God omgaan; wij krijgen van
Hem alles wat wij vragen omdat wij zijn geboden onderhouden en doen wat Hem
aangenaam is. En dit is zijn gebod: van harte geloven in zijn Zoon Christus en elkaar
liefhebben zoals Hij ons bevolen heeft. Wie zijn geboden onderhoudt blijft in God en God
blijft in hem. En dat Hij in ons woont weten we door de Geest die Hij ons gegeven heeft.

Evangelie: Joh 15, 1-8
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: ‘Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de
wijnbouwer. Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt snijdt Hij af; en elke die wel vrucht
draagt zuivert Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen. Gij zijt al rein dank zij het woord dat Ik
tot u gesproken heb. Blijft in Mij dan blijf Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit
zichzelf maar alleen als zij blijft aan de wijnstok, zo gij evenmin als gij niet blijft in Mij. Ik ben
de wijnstok, gij de ranken. Wie in Mij blijft terwijl Ik blijf in hem, die draagt veel vrucht, want
los van Mij kunt gij niets. Als iemand niet in Mij blijft wordt hij weggeworpen als rank en
verdort; men brengt ze bij elkaar, gooit ze in het vuur en ze verbranden. Als gij in Mij blijft en
mijn woorden in u blijven vraagt dan wat gij wilt en gij zult het krijgen. Hierdoor wordt mijn
Vader verheerlijkt dat gij rijke vruchten draagt; zo zult gij mijn leerlingen zijn.’

Gewoonlijk plaatsen we bovenaan onze homilie alleen de evangelielezing
en dit, omdat een homilie vooral de evangelielezing moet verduidelijken.
Maar op deze zondag gaat de lezing uit de eerste brief van de apostel Johannes
zo innig en bijna ‘organisch’ samen met de evangelielezing,
dat men ze in direct verband met de evangelielezing moet plaatsen
en men zich kan aansluiten bij de oude en traditionele opvatting
dat de evangelist Johannes ook de schrijver is van de brieven van de apostel Johannes
en dat de evangelist en de apostel-schrijver één en dezelfde persoon zijn.

De evangelielezing eindigt met een niet mis te verstane vermelding
van het ware (en enige) kenmerk van de leerling van Jezus, van de christen:
het dragen van rijke vruchten.
Even verder in de afscheidsrede wordt het dragen van rijke vruchten
door Jezus als zijn ultieme opdracht vermeld:
Jo 15, 16 Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan
en vruchten voort te brengen, die blijvend mogen zijn.

Ook in de andere evangelies is het beeld van een vruchtdragende boom
het beeld van de mens die de wil van God volbrengt.
Er kan geen twijfel bestaan over de bedoelde realiteit:
een vruchtdragende wijnstok, rank, boom,
is een mens wiens levenswijze gekenmerkt is
door liefde, goedheid, barmhartigheid,
wiens leven vervuld is van liefdevolle woorden en daden,
van concrete uitingen van goedheid en barmhartigheid.
In de brief van de apostel Johannes klinkt hetzelfde:
concrete daden van liefde zijn onze maatstaf en kenmerken ons als mensen
die in eenheid met Jezus thuishoren bij de waarachtige God, als kinderen van God.
Ook in de brieven van Paulus is hetzelfde gedachtengoed te vinden.
Spontaan denken we aan het vers uit de brief aan de Galaten:
5,22 Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde,
vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid.

Het dragen van goede vruchten is ook volgens Paulus hét kenmerk
van de mens die werkelijk door de Geest van God bezield is,
eerder dan diegene die spreekt met de tongen van engelen en mensen,
eerder dan diegene die de gave der profetie bezit, alle geheimen en alle wetenschap kent,
eerder dan diegene die het volmaakte berg-verzettende geloof heeft,
eerder dan diegene die zijn lichaam prijsgeeft aan de vuurdood,
hoewel het goede onderricht, de profetie, de wijsheid, het geloof en de moed
wel degelijk ook gaven van de Geest zijn die niet vruchteloos mogen blijven.

Is bij Paulus te lezen dat de vruchtbaarheid van mensen
het gevolg van de werking van de Geest,
Jezus zelf drukt diezelfde waarheid uit op een andere wijze:
de vruchtbaarheid van mensen is het gevolg van verbondenheid met Hem,
van een diepe innerlijke eenheid met Hem,
een eenheid die uiteraard de mens gegeven is door de Geest van Jezus.
De echte verbondenheid met Jezus is van ‘geestelijke’ en ‘innerlijke’ aard.
In deze zin kunnen wij een even hechte verbondenheid met Christus beleven
als de leerlingen aan wie Hij als eersten het beeld van de wijnstok en de ranken gaf,
die Hem in levende lijve konden aanschouwen en aanraken.
In een tijd waarin wij door de corona-maatregelen
geen ‘fysiek’ contact meer mogen hebben,
mag er misschien op gewezen worden dat innig fysiek contact
best altijd een uiting is van een reeds bestaande innerlijke verbondenheid,
die dan verder ook door dat contact kan gevoed worden.
En dus niet zomaar een uiting van een emotionele drang.
En noch met de levende Christus, noch met onze geliefde levenden in Hemzij die we dus onze ‘geliefde doden’ noemen – is geen fysiek contact (meer) mogelijk.
Dat betekent echter geen einde aan innerlijke verbondenheid, eenheid.
Het gebrek aan dat fysiek contact kan de innerlijke verbondenheid soms versterken.
Leidt die innerlijke eenheid en verbondenheid met Christus tot vruchtbaarheid,
tot concrete daden van dienstbare liefde, van goedheid en barmhartigheid,
ze leidt ook tot een diepe eenheid en verbondenheid met mensen
die verder gaat dan sympathie en solidariteit.
Dezelfde gevoelens delen en dezelfde noden delen
is nog niet hetzelfde als diepe eenheid en verbondenheid.
Die diepe eenheid en verbondenheid met mensen is het gevolg
van een kijken naar mensen met Gods ogen
en voor de mensen datgene willen wat God wil.
Het is met mensen omgaan en leven vanuit en in eenheid met God.
De apostel Johannes drukt het als volgt uit:
Wie in God blijft en in wie God blijft (één is met God)
onderhoudt de geboden, die ons de liefde als richtsnoer geven.
Laten we het radicaal stellen, op het gevaar af verkeerd begrepen te worden:
de diepste verbondenheid met mensen
is niet zomaar het gevolg van luisteren naar mensen
maar eerder van luisteren naar wat God wil,
van ‘thuishoren bij de waarachtige God’.
Dat thuishoren bij God, dat één zijn met God zorgt ook voor een ander kenmerk:
het hebben van een gerust geweten, van een rustig hart,
een vrijmoedig omgaan met God en dus geen angstig en scrupuleus gedoe.
Een mens die thuishoort bij God mag – volgens de apostel Johannes –
ook alles vragen aan God, maar zijn of haar vraag
zal niet tegen de wil van God ingaan
en niet vertrekken van een ik-gerichte zorg.
Ook Jezus drukt dit verder in de afscheidsrede uit:
Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u
en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan
en vruchten voort te brengen, die blijvend mogen zijn.
Dan zal de Vader u geven al wat gij Hem in mijn Naam vraagt.
Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt.

Als we Jezus’ woorden uit de Bergrede daarbij denken
dan weten we dat we geen vragen stellen over eten en drinken,
over kleding, over de dag van morgen,
maar wel vragen naar de komst van het Rijk en Gods gerechtigheid,
naar het geschieden van de wil van God.

Ook de inhoud van ons bidden laat zien
of we door de Geest bezield zijn en in verbondenheid met Christus bidden.

Gebed en liturgie dienen in de eerste plaats
om onze verbondenheid en eenheid (communio-communie)
met Christus, met verrezen Christus,
met de Onzichtbare in ons midden, te beleven, te uiten en te voeden.
Ik durf pleiten voor een liturgie en een gebedswijze
die niet al te zeer die beleving hindert
waardoor we niet ‘met ons hart’ bij de Heer kunnen zijn
(zoals we soms achteloos zeggen bij het begin van het dankgebed).
Bij het bidden van het Onzevader
hoeven we echt geen handen te geven aan elkaar.
Dat kunnen we iets later van harte doen bij de vredeswens.
(Het ene mogen we nu trouwens niet meer,
het andere kunnen we wel nog maar ook niet echt ‘fysiek’.)
Het beleven en bewust zijn van onze innerlijke eenheid en verbondenheid met Christus,
dat is wat bedoeld wordt met een ‘contemplatieve ingesteldheid’,
waarvan paus Franciscus zegt, dat we die nodig hebben omdat
“… die ons iedere dag opnieuw in staat stelt te ontdekken
dat we dragers zijn van een goed dat ons tot mens maakt,
en ons in staat stelt een nieuw leven te leiden.”
(Ik heb al vaker dit citaat uit De Vreugde van het Evangelie geplaatst.)
Dat nieuwe leven is een leven van actieve goedheid,
dienstbare liefde en praktische barmhartigheid.
Het is al lang dat velen in de Kerk inzien
dat er geen tegenstelling is tussen ‘actie’ en ‘contemplatie’,
hoewel beide hun tijd opeisen om elkaar ook te kunnen ‘bevruchten’.
Het is merkwaardig dat vele hedendaagse ‘leraren’
van het contemplatieve gebed, het bidden met een contemplatieve ingesteldheid,
– waarbij we dus die eenheid met Christus bewust beleven en voeden,
en voor mij bestaat daarbuiten geen echt bidden –
hun onderricht steevast eindigen met zoiets als ‘contemplatie in actie’
waarbij actieve goedheid en dienstbaarheid voor hen
als de enige criteria voor het goed ‘biddend bezig zijn’ gelden …
Ze benadrukken trouwens dat actieve inzet en engagement
wel eens een zekere weg naar een doorleefde eenheid met God kan wezen.


Foto door form PxHere