Homilie voor het feest van de Heilige Familie

26 december 2021

Lezing: 1 Joh 3,1-2.21-24

Dierbaren, hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft! Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook. De wereld begrijpt ons niet, en ze kent ons niet, omdat zij Hem niet heeft erkend. Vrienden, nu reeds zijn wij kinderen van God, en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard; maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt, wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is. Dierbare vrienden, daar ons geweten ons niet hoeft te veroordelen, mogen wij vrijmoedig met God omgaan; wij krijgen van Hem alles wat wij vragen, omdat wij zijn geboden onderhouden en doen wat Hem aangenaam is. En dit is zijn gebod: van harte geloven in zijn Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben zoals Hij ons bevolen heeft. Wie zijn geboden onderhoudt, blijft in God, en God blijft in hem. En dat Hij in ons woont, weten we door de Geest die Hij ons gegeven heeft.

Evangelie: Lucas 2, 41-52

Ieder jaar reisden de ouders van Jezus bij gelegenheid van het Paasfeest naar Jeruzalem. En overeenkomstig het gebruik van dit feest gingen zij opnieuw daarheen toen Hij twaalf jaar geworden was. Maar na afloop van die dag keerden zij naar huis terug. Het kind Jezus bleef echter in Jeruzalem achter, zonder dat zijn ouders het wisten. In de mening dat Hij zich bij de karavaan bevond, gingen zij een dagreis ver, en zochten Hem toen onder familieleden en bekenden. Omdat zij Hem niet vonden, keerden zij al zoekende naar Jeruzalem terug. Pas na drie dagen vonden zij Hem in de tempel, waar Hij te midden van de leraren zat naar wie Hij luisterde en aan wie Hij vragen stelde. Allen die Hem hoorden waren verbaasd over zijn inzicht en zijn antwoorden. Toen zijn ouders Hem daar opmerkten stonden zij verslagen. Zijn moeder zij tot Hem: “Kind, waarom hebt Ge ons dit aangedaan? Denk toch eens met wat een pijn uw vader en ik naar U hebben gezocht.” Maar Hij antwoordde: “Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde. Hij ging met hen mee naar Nazaret en was aan hen onderdanig. Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart. En met de jaren nam Jezus toe in wijsheid en welgevalligheid bij God en de mensen.

Twaalfjarige Jezus (Lorenzo Monet) uit de film Jesus of Nazareth (1977) van Franco Zeffirelli

De apostel Johannes drukt ons in de eerste lezing drie zaken op het hart.
Vooreerst dat we kinderen van God zijn,
dat we door God onvoorwaardelijk geliefd en bemind zijn.
Zoals Jezus zich Zoon van God weet en God zijn Vader noemt,
zo mogen ook wij ons kinderen van God weten, God als Vader aanspreken
en vrijmoedig en zonder angst met God omgaan.
Paulus deelt aan de Romeinen dezelfde boodschap mee:
De geest die gij ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid,
die u opnieuw vrees zou aanjagen.
Gij hebt een geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader!  
De Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze geest, dat wij kinderen zijn van God.
Vervolgens benadrukt de apostel Johannes
dat God door de gave van zijn Geest in ons woont
en dat Hij ook in en met en door ons in de wereld aanwezig wil zijn.
Dat is het wonder van de menswording van God,
dat God zich in en met en door mensen aan mensen openbaart,
in en met en door mensen die in Jezus geloven,
die dus Jezus navolgen op zijn weg van zelfontlediging en liefde.
Tenslotte zegt de apostel ons duidelijk dat we aan God gelijk zullen zijn,
niet door onze wil en onze verdienste,
niet vanuit onze hoogmoed of verlangen naar almacht,
maar omdat Hij ons liefheeft en ons zijn Geest schenkt
waardoor we kunnen goddelijk liefdevol denken en handelen als God,
bevrijd van alle angst en egoïsme en zelfbetrokkenheid.
Liefdevol denken en handelen is wat God van ons vraagt.
Het is niet alleen tijd en aandacht aan God geven
maar ook aan de medemens tijd, aandacht en liefdevolle zorg schenken.
Dat is wat God ons ‘beveelt’. Dat is zijn gebod.
Inzicht verwerven over de wijze waarop we dat concreet moeten doen,
hoe we ons leven vanuit de liefde tot God en de medemens moeten uitbouwen,
dat is het, waar het de leraren in de tempel om te doen is,
dat is het, waar het Jezus als jonge knaap om te doen is.
Het resultaat van dat verwerven heten we wijsheid,
door de gelovige Jood beschouwd als een gave van God,
zoals ook het verlangen en de kracht om lief te hebben
als een gave van God, als een teken van zijn inwonen in ons,
als een teken van zijn liefde, gezien dienen te worden.
Het inzicht van de wijsheid leidt tot gehoorzaamheid aan wat God van ons vraagt.
Die gehoorzaamheid stelt Jezus heel ontwapenend
boven de gehoorzaamheid aan ouders
en boven de gehoorzaamheid aan gelijk welk aards gezag.
Maar in ieder geval staat deze gehoorzaamheid ook boven
het gehoor geven aan wereldse normen en zeker boven die van een eigen wil
als die bepaald wordt door menselijke overwegingen en menselijke emoties.
Dat laatste is voor mensen vaak moeilijk verteerbaar
en de idee van een absolute gehoorzaamheid aan Gods wil
werd in de Kerk helaas al te veel misbruikt,
waarbij men niet alleen absoluut geen rekening hield met menselijke gevoeligheden,
maar ook niet met terechte verwachtingen en bekommernissen van mensen.
Er is trouwens maar één gebod waarmee we, in gehoorzaamheid aan God,
rekening dienen te houden: dat van de liefde.
Het huis van de Vader is het huis van de liefde.
Daar moeten we zijn en alleen liefde hoort daar thuis.
Bij zijn bezoek aan de tempel als volwassene zal Jezus dat zeer duidelijk maken.


Omslagfoto: Peter Paul Rubens, Public domain, via Wikimedia Commons