Homilie voor het feest van de Openbaring van de Heer

2 januari 2022

Evangelie: Mt. 2, 1-12
Toen Jezus te Betlehem in Juda geboren was, ten tijde van koning Herodes, kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het Oosten en vroegen: Waar is de pasgeboren Koning der Joden? Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen. Toen koning Herodes dit hoorde, werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem. Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen en legde hun de vraag voor, waar de Christus geboren moest worden. Zij antwoordden hem: Te Betlehem in Juda. Zo immers staat er geschreven bij de Profeet: en gij Betlehem, landstreek van Juda, gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman te voorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk Israël. Toen ontbood Herodes in het geheim de Wijzen en hij vroeg hun nauwkeurig naar de tijd waarop de ster verschenen was. Daarop zond hij hen naar Betlehem met de opdracht: Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar het Kind, en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan, opdat ook ik Het hulde kan gaan brengen. Na de koning aangehoord te hebben, vertrokken zij. En zie, de ster die zij in het Oosten gezien hadden, ging voor hen uit, totdat ze boven de plaats waar het Kind zich bevond, stil bleef staan. Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde. Zij ging het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij Het hun hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn en boden Het geschenken aan: goud, wierook en mirre. En in een droom van Godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg naar hun land.

Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde.
Bron: Pixabay

Opnieuw komt het thema van ‘vreugde’ aan bod in de evangelielezing van dit feest,
die daarmee eens te meer aansluit bij de grondtoon van ons pastoraal werkjaar:
‘De vreugde van het evangelie’.
Oorzaak van de overgrote vreugde van de wijzen uit het oosten
is – zo lezen we – het zien van de ster, die voor hen uit is gegaan in hun zoektocht
naar de pasgeboren Koning der Joden.
Vele mensen hebben zich bezig gehouden met het nagaan welke ster,
welk hemellichaam of welk hemelverschijnsel met die ster bedoeld zou kunnen zijn
in de hoop ook, daarmee de geboortedatum van Jezus nader te bepalen.
De gelovige die het verhaal van de wijzen, van de magiërs leest,
weet echter dat die ster het teken, het symbool is van de Messias
en dat de reden van de vreugde van die twee of meer pelgrims
het vinden en zien is van de pasgeboren koning.
In het kind, dat ze vinden, zien ze de openbaring van Gods wezen,
worden ze bewust wie God voor mensen is en wil zijn.
God verschijnt hen niet in een omgeving van macht en rijkdom,
maar als een eenvoudig, machteloos en weerloos kind, dat schattig is,
dat vertedert en oproept tot liefde, respect en liefdevolle dienstbaarheid.
Dat kind brengt de mens, wiens hart niet helemaal verhard is,
terug tot zijn oorspronkelijke paradijselijke staat,
doet de mens bij zichzelf thuiskomen: goddelijk goed zijn
en zich als een kind bemind weten, onvoorwaardelijk bemind.

‘Koning der Joden’ is ook wat te lezen staat op het plakkaat
dat boven het hoofd van Jezus op het kruis is aangebracht.
Ook daar openbaart God zich niet als een machtige vorst,
maar als een mens die lijdt omwille van de waarheid en de gerechtigheid
en oproept tot navolging, tot zelfgave, tot inzet en verzet.

Vreugde is er omdat het doel van de reis bereikt is,
het einde van de pelgrimstocht, waarbij een ster gevolgd werd.
Deze ster staat voor ons diepste verlangen dat ons op weg zet,
een verlangen waarin God zich in ons openbaart,
kenbaar maakt, doet ervaren, roept.
Het is geen verlangen naar macht, bezit.
Want de wijzen zullen niet nemen of grijpen maar geven.
Het is geen verlangen naar prestatie, naar ambt, naar prestige en aanzien.
Want de wijzen zullen knielen en aanbidden.
Ze zoeken niet zelf aanbeden en erkend te worden.
Het is de vreugde van thuiskomen,
thuiskomen bij iemand en bij jezelf:
eindelijk weten wie je bent en daardoor jezelf kunnen zijn.
Het is je ten diepste aanvaard en bemind weten,
bevrijd zijn van de druk iemand te worden en te zijn in de ogen van anderen,
bevrijd zijn van de behoefte jezelf te bewijzen aan jezelf en aan de anderen,
bevrijd zijn van de angst niet iemand te wezen.
Het is in het kind opnieuw jezelf erkennen,
daarbij weet hebbend van je kwetsuren en fouten, van je innerlijke demonen.
Ook die bieden we aan als geschenk.
Nog zo’n omkering van het oude Godsbeeld!
God wil niet alleen onze kostbare talenten,
niet alleen ons vermogen tot liefde,
niet alleen ons verlangen naar goed zijn en onschuld,
maar ook onze bittere mirre van pijn en mislukking.
Knielen betekent hier: je bij dat kind niet beter voordoen dan je bent,
ophouden met het spelen van de wijze…
Bij dat kind, bij God kunnen we dat.
Ik denk hierbij aan wat de jezuïet Herwig Arts schreef
in een boek vol onmisbare wijsheid: Een kwestie van verlangen. Over spiritualiteit:
“Uiteindelijk is een mens slechts in twee situaties echt zichzelf,
al is het niet aan eenieder gegeven deze situaties ooit te beleven.
Vooreerst is er de echte vriendschap,
waarbij men helemaal geen rol meer hoeft te spelen
omdat men zich geaccepteerd weet zoals men werkelijk is.
En ten tweede is er het gebed of het in contact treden met God.
Iedere vorm van toneelspelen of hypocrisie is hier uitgesloten,
aangezien God ‘hart en nieren doorschouwt’
en de mens beter kent dan deze zichzelf kent.
In werkelijkheid echter zijn er helaas tal van mensen
die noch enig contact met God beleven,
noch een echte vriend hebben tussen hun vele relaties.”
En verder:
“De enige relatie die het zoeken van ons hart naar aandacht en liefde
volkomen kan bevredigen, is uiteindelijk onze relatie met God.”
Ons diepste verlangen is het verlangen naar eenheid met God.
Die eenheid zoeken te beleven in het leven van iedere dag
is de eigenlijke pelgrimstocht van ons leven die de moeite waard is te ondernemen.
Tenminste als we wijs willen zijn.


Omslagfoto: Pixabay