Homilie voor het hoogfeest van de geboorte van de Heer

Kerstmis 2021

In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus, dat er een volkstelling moest gehouden worden in heel zijn rijk. Deze volkstelling had voor het eerst plaats toen Quirinius landvoogd van Syrië was. Allen gingen op reis, ieder naar zijn eigen stad om zich te laten inschrijven. Ook Jozef trok op en omdat hij behoorde tot het huis en geslacht van David, ging hij van Galilea uit de stad Nazaret naar Judea, naar de stad van David, Betlehem geheten, om zich te laten inschrijven, samen met Maria, zijn verloofde, die zwanger was. 
Terwijl zij daar verbleven, brak het uur aan waarop zij moeder zou worden. Maria bracht haar zoon ter wereld, haar eerstgeborene, wikkelde hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, want er was voor hen geen plaats in de herberg. In de omgeving bevonden zich herders die in het open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten. Plotseling stond een engel des Heren voor hen en zij werden omstraald door de glorie des Heren, zodat zij door grote vrees werden bevangen. Maar de engel sprak tot hen: ‘Vreest niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor het hele volk. Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David. En dit zal voor u een teken zijn: gij zult het pasgeboren kind vinden, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.’ Opeens voegde zich bij de engel een hemelse heerschare; zij verheerlijkten God. Zodra de engelen weer van hen waren heengegaan naar de hemel, zeiden de herders tot elkaar: ‘Komt, laten we naar Betlehem gaan om te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons heeft bekend gemaakt.’ Ze haastten zich er heen en vonden Maria en Jozef en het pasgeboren kind, dat in de kribbe lag. Toen ze dit gezien hadden, maakten ze bekend wat hun over dit kind gezegd was. Allen die het hoorden, stonden verwonderd over hetgeen de herders hun verhaalden.

Foto: Pixabay

Want er was voor hen geen plaats in de herberg.
Velen zijn geneigd om in deze vermelding een sociaal drama te zien.
Men beschouwt dan Jozef en Maria als verschoppelingen,
mensen voor wie in deze wereld geen plaats is.
Men vergelijkt hen graag met vluchtelingen en immigranten
die in onze welvaartstaten toch niet overal welkom zijn.
Maar, hoe mooi en goedbedoeld die actualisatie ook is,
dat is niet wat de evangelist Lucas wou meedelen.
Dat er voor de Heilige Familie geen plaats was in de herberg
betekent niet dat zij er niet welkom waren,
maar dat alle plaatsen in de herberg volzet waren.
Ze dienden – samen met vele anderen  –
noodgedwongen de nacht buiten door te brengen,
op een open binnenplaats waar groot kampvuur brandde,
misschien onder een afdak en wellicht binnen een veilige omheining.
Ook de  last- en rijdieren vonden daar een plaats, water en voedsel.
Van een losstaande stal of grot, die als stal dienst doet,
is in het geboorteverhaal bij Lucas waarschijnlijk geen sprake.

In de evangelielezing van morgen, van de hoogdag van kerstmis zelf,
– een lezing uit het eerste hoofdstuk van het Johannesevangelie –
is er echter wel duidelijk sprake van niet welkom zijn,
niet aanvaard en niet erkend worden.
Het ware Licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld.  
Hij was in de wereld, de wereld was door Hem geworden,
en toch erkende de wereld Hem niet.  
Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet. 
O ja, in de wereld is er voor het kerstfeest
wel degelijk geld en tijd en ruimte beschikbaar,
tenminste als één of andere pandemie geen roet in het eten strooit.
Maar is er in de herberg van onze kerstmis vierende wereld
wel nog plaats voor Hem met wie het allemaal begonnen is?
Waar is bij al het feestglitter het geloof gebleven?
En met geloof bedoel ik: aan God plaats geven in je leven,
tijd en aandacht hebben voor God,
bewust zijn van zijn aanwezigheid en die aanwezigheid beamen,
en luisteren naar wat Hij ons te zeggen heeft.
Goed dat jullie in alle feestdrukte God hier in deze viering een plaats geven.
Maar waarom, vragen vele mensen zich wellicht af,
zouden we tijd en aandacht aan God spenderen?
Waarom zouden we Hem een plaats in onze herberg geven?
Indien God zichtbaar en tastbaar iets voor ons zou doen,
indien Hij dus zichtbaar, tastbaar en ervaarbaar iets voor ons zou betekenen,
dan zouden we niet alleen ophouden met zijn bestaan te ontkennen,
of er aan te twijfelen, maar dan zou er voor Hem ook tijd en aandacht zijn.
Mensen hebben altijd aandacht en tijd voor iets of iemand
die van betekenis is, waaraan ze iets hebben.
Maar God weigert zich te openbaren
als iets of iemand van betekenis volgens de wereldse normen,
als iets of iemand die nuttig is in de wereld.
Hij toont zich volgens het geboorteverhaal aan betekenisloze mensen
als een machteloos, arm en betekenisloos kind.
Al wat dat kind kan doen is, mensen die het willen zien, vertederen.
Vertederen betekent: teder maken, zacht maken,
ontdoen van alles wat in geest en hart hard is,
alles wat daar dient om het kleine ik te verzekeren en te beschermen.
Vertedering is het verdwijnen van angst en egoïsme,
is het gewaarworden van een diep verlangen,
het verlangen om goddelijk goed te zijn, te zorgen voor,
zich over iemand te ontfermen, je armen om iemand te sluiten,
in een liefdevol en dienstbaar moment.
Ieder kind is een oproep tot liefde en goedheid en zorg.
Een kind is niet nuttig.
Het helpt je niet in je streven naar rijkdom, macht, kennis,
prestige, veiligheid.
Kinderen op welke wijze daarvoor gebruiken of inzetten is misbruik.
Een kind helpt alleen om liefdevol en goed te zijn.
Zoals iedere behoeftige en weerloze medemens
die ons niets te bieden heeft, maar die ons nodig heeft.
Aan een kind heb je niets:
alleen zorg en bezorgdheid en vertedering.
Het legt je vermogen tot liefde in je bloot.
Het roept op om goed te zijn.
Het vraagt je om je te geven, je tijd en je aandacht.
God openbaart zich als een kind, weerloos vragend om tijd en aandacht,
een oproep tot liefde en goedheid.
Zoals iedere behoeftige en weerloze medemens.
Wie plaats heeft voor God in zijn of haar herberg,
staat stil bij het verlangen van de liefde, de zorg en de dienstbaarheid.
Is tijd en plaats hebben voor God, tijd en plaats maken gebed en liturgie?
Ja, maar als men van de liturgie iets wil maken
waar men iets aan heeft, iets ontspannend, iets moois, iets interessant,
dan loopt men het risico dat er geen plaats voor God meer is.
Dat heeft de kerkgeschiedenis genoegzaam bewezen.
En wat te denken van een God
die ons tegemoet komt in datgene wat niet ontspant,
maar inspanning vraagt, in hetgeen niet mooi is of luisterrijk,
maar onaanzienlijk, niet aan te zien is en ook geen aanzien geeft.
In de arme, diegene die onze rust komt verstoren,
midden in onze nacht, in onze duisternis,
niet de nacht van ellende, maar de nacht van ons feestgedruis.
God tijd en aandacht geven is zeker tijd en ruimte maken voor liturgie,
tenminste als in deze liturgie de oproep klinkt tot liefde en goedheid
en het goddelijk mysterie niet verborgen wordt
onder en in pracht en praal.
God tijd en aandacht geven is vooral tijd en aandacht geven aan mensen,
vooral dus aan de onaanzienlijke, de voor ons minst nuttige,
omdat die mens God het best openbaart zoals God wil zijn voor ons:
verborgen en onaanzienlijk.
Daarom is aan God tijd en aandacht geven,
ook ruimte, tijd en aandacht geven aan stilte.
De heilige nacht wordt bezongen als de ‘stille nacht’.
Zal er voor stilte ook plaats zijn in de herberg?