Homilie voor het hoogfeest van de heilige Drie-eenheid

12 juni 2022

Evangelie: Joh 16,12-15
In zijn afscheidsrede zei Jezus tot zijn leerlingen: “Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen. Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar spreken al wat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen. Hij zal Mij verheerlijken omdat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft. Daarom zei Ik, dat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft. Al wat de Vader heeft, is het Mijne.”

Afbeelding van tomasc78 via Pixabay

Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen.
Jezus zegt dit tot zijn leerlingen.
Het gebruikte werkwoord ‘dragen’
moet men niet vervangen door ‘begrijpen’ maar eerder door ‘verdragen’.
Dus niet: ‘maar gij kunt het nu nog niet begrijpen’, maar wel:
‘maar gij kunt het nu nog niet verdragen’.
Jezus’ woorden zijn niet zozeer onbegrijpbaar,
maar wel niet te aanhoren, in de zin van ‘onaanvaardbaar’.
En als zijn woorden een gebod of raadgeving zijn, ook niet te ‘doen’.
Als Jezus na de broodvermenigvuldiging
zijn onderricht in de synagoge van Kafarnaüm beëindigd had, zeiden veel leerlingen:. 
Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie kan daar naar luisteren? (Jo 6, 60)
Wat had Jezus dan wel gezegd dat zij niet konden ‘dragen’?
Als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt,
hebt gij het leven niet in u.  
Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven
en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.  
Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank. 
Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. (Jo 6, 54-56)
Wat Jezus hier wil zeggen is, dat we pas echt leven,
als we leven in totale éénheid met Hem,
als we Hem navolgen, onvoorwaardelijk liefhebben,
onszelf leren op de laatste plaats zetten en ook delen in Zijn lijden en sterven.
Dat is best ‘begrijpelijk’! Maar moeilijk te aanvaarden.
Want we zijn maar mensen! Zo denken en zeggen we.
Daarbij vergeten we: ook Jezus was een mens.
Dezelfde niet verdragende reactie van de leerlingen treffen we ook aan bij Petrus
die protesteert als Jezus hem de voeten wil wassen:
Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen! (Jo 13, 8)
En nog zo’n niet verdragende reactie van Petrus is er
als Jezus voorspelt dat Hij zal moeten verworpen worden, lijden en sterven:
Toen nam Petrus Jezus terzijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden. (Mc 8, 32)
En Jezus verklaart deze niet verdragende reactie van Petrus
als voortkomend uit ‘menselijke overwegingen’,
overwegingen die niet overeenkomen met wat God wil.
Als onze wil, als ons denken, als ons aanvoelen
één zou zijn met wat God wil, denkt en voelt,
dan zouden we niet alleen leren begrijpen,
maar ook leren aanvaarden en verdragen wat God ons zegt,
wanneer God ons voorhoudt wat we moeten doen.
En wat meer is: we zouden het woord ook volbrengen.
Zolang ons denken echter vervuld is van onszelf en ons eigen belang,
zolang ons denken en voelen, en zelfs onze vroomheid en spiritualiteit,
geleid worden door onze angst en zelfzucht,
lijkt zoveel onbegrijpelijk en vooral onaanvaardbaar
en niet te dragen en niet te doen….
De Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen.
Om wat God van ons vraagt te weten, te ontdekken, te begrijpen,
in te zien en dan ook te aanvaarden en te kunnen volbrengen,
moeten we bevrijd worden van de geest van deze wereld,
van onze kleinmenselijke overwegingen, van onze angst en zelfzucht
en dienen we de ingesteldheid van Jezus, de Christus, aan te nemen.
Dat is het bevrijdingsproces en de innerlijke omvorming
die de Geest van waarheid in ons verricht.
Wat kunnen we doen om dat proces
en die omvorming in ons te laten plaatsgrijpen?
Wat kunnen we doen om de Geest ‘te helpen’,
zodat Hij ons tot de volle waarheid kan brengen,
tot een volkomen vrede en vreugde,
of zoals Paulus het schrijft aan de christenen van Efeze:
‘tot de volmaaktheid die de volmaaktheid van God zelf is’ (3, 19);
en verder: tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon,
tot de volmaakte Mens, tot de gehele omvang van de volheid van de Christus.’ (4, 13)
Het begint inderdaad misschien wel met leren begrijpen,
in de zin van inzicht verwerven, bewust worden van.
Op dit hoogfeest van de heilige Drie-eenheid
kunnen we daarom even anders beginnen denken over die “eenheid”.
We denken ‘eenheid’ misschien teveel in termen van ‘samenplaatsen’ of ‘versmelten’.
Maar laten we even denken aan de eenheid die er is tussen een rivier en zijn bron.
De rivier is niet de bron en de bron is niet de rivier, maar toch zijn die één!
Er is geen kwestie van samen geplaatst worden of versmelten.
Er is geen sprake van tot eenheid gebracht worden.
De rivier is één met zijn bron.
De bron is in de rivier en de rivier is al in de bron.
Jezus zelf gebruikt een ander beeld, dat van de wijnstok en de ranken.
De rank is niet de wijnstok en de wijnstok niet de rank.
Toch zijn ze één, maar niet samen geplaatst of versmolten
en de wijnrank is al in de wijnstok en de wijnstok is in de wijnrank.
Zo is de mens Jezus één met God, zoals de rivier met zijn bron
en een wijnrank met zijn wijnstok.
God is met heel zijn volheid in Jezus en Jezus is in God.
Maar ook wij zijn door de Geest ook één met God en zo met Christus.
We moeten dus ophouden met God als ‘dààr ergens’ te denken,
ver weg van ons, ongenaakbaar.
God is in ons, als de bron van ons leven en van onze liefde.
Wij kunnen en mogen die bron in ons laten stromen.
Als wij liefhebben en goed zijn doen wij dat.
Vooral als aan onze liefde, goedheid en inzet geen voorwaarden kleven,
of geen zoeken naar dankbaarheid, waardering of bevestiging.
Wij worden dan niet één met God, maar wij beleven onze eenheid met God die er is,
en we laten die eenheid ook zien.
We laten zien dat Christus in ons leeft.
Dé voorwaarde echter is, dat ons ‘ik’ minder zichtbaar en hoorbaar wordt,
dat ons ‘ik’ sterft.
Dat lijkt zo ondraagbaar en daarom zo onbegrijpelijk.
En het is zo onmogelijk.
Alleen God is er zonder ‘ik’.
We kunnen er alleen voor zorgen dat
het lampenkapje van het ik dat rond de lamp van Gods liefde is,
zo doorschijnend wordt, dat Gods liefde in ons zichtbaar wordt.
Of zoals een oude wijze ooit zei:
‘Ons ik moet minder hatelijk en storend verschijnen,
zodat het licht in ons kan schijnen.’


Omslagfoto: Afbeelding van tomasc78 via Pixabay