Homilie voor het hoogfeest van de Heilige Drie-Eenheid

30 mei 2021

Romeinen 8, 14-17

Broeders en zusters, allen die zich laten leiden door de Geest van God zijn kinderen van God. De Geest die gij ontvangen hebt is er niet een van slaafsheid die u opnieuw vrees zou aanjagen. Gij hebt de geest van het kindschap ontvangen die ons doet uitroepen: ‘Abba, Vader!’ De Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze geest dat wij kinderen zijn van God. Maar als wij kinderen zijn dan zijn wij ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God, te samen met Christus, daar wij delen in zijn lijden om ook te delen in zijn verheerlijking.

Matteüs 28, 16-20

De elf leerlingen begaven zich naar Galilea, naar de berg die Jezus hun aangewezen had. Toen zij Hem zagen wierpen ze zich in aanbidding neer; sommigen echter twijfelden. Jezus trad nader en sprak tot hen: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.’


In de evangelielezing van deze zondag trekken meerdere elementen onze aandacht:
de aanbiddende houding van de leerlingen;
daartegenover de twijfel bij sommige leerlingen;
Jezus’ mededeling aan de leerlingen dat Hem alle macht gegeven is;
het zgn. zendings- en doop’bevel’ aan de leerlingen;
en de belofte aan de leerlingen van blijvende nabijheid.

Kort iets over die ‘macht’.
Alle wereldse denken over macht moet hier losgelaten worden.
Jezus heeft het hier over de vol-macht om zijn heilswerk te verrichten,
om heil aan de wereld, aan alle mensen te schenken,
dit door de mensen op te roepen tot bekering en geloof
en aan alle mensen de Geest van God te schenken.
Het is vanuit die vol-macht dat Hij zijn leerlingen zendt
met dezelfde vol-macht.

Het zgn. zendings- en doop’bevel’ aan de leerlingen doet bij velen de vraag rijzen
als het hier wel gaat om de aller-eigenste woorden van Jezus’
of als in deze woorden – door de evangelist in Jezus’ mond gelegd –
niet het zendingsbewustzijn van de jonge apostolische kerk
– de kerk ten tijde van de apostelen – uitgedrukt wordt.
Als de apostolische kerk niet overtuigd was door de verrezen Heer gezonden te zijn
dan zouden die woorden in ieder geval niet in het Matteüs-evangelie te vinden zijn.
Het hier gepresenteerde zendingsbevel is geen uitvinding van een ‘machtskerk’
die daarmee bedreiglijk haar universele ambities zou rechtvaardigen.
Jezus heeft zijn leerlingen wel degelijk gezonden,
zijn eigen zending aan zijn leerlingen overgedragen,
de leerlingen die Hij precies daarvoor geroepen en onderricht had.

Het zendingsbevel zelf bevat een drietal gegevens:
het tot leerling maken van de alle volkeren,
het dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest,
en het leren onderhouden van wat Jezus de leerlingen bevolen heeft.

Bij deze drie gegevens kunnen velen opnieuw de wenkbrauwen fronsen.
Zo bij het werkwoord ‘bevelen’ dat ergerlijk klinkt
in de oren van de op autonomie gestelde individualistische mens.
In de Groot Nieuws Bijbel van 1999 van KBS/NBG lezen we ‘opdragen’.
Zo ook in de Nieuwe Bijbelvertaling van KBS/VBS van 2005.
De vertaling van de Bijbel in Gewone Taal van NBG van 2014
maakt daar – wat te verwachten is – ‘vertellen’ van.
Het Griekse werkwoord entellomai betekent wel degelijk ‘bevelen’
of ‘een opdracht geven’ zoals een heer dat aan zijn dienaren doet.
Die heer ‘vertelt’ dan niet zomaar iets aan de dienaren.
Het werkwoord ‘bevelen’ of ‘gebieden’ of ‘een opdracht/gebod geven’
duidt erop dat wat gedaan moet (niet ‘kan’) worden geen andere keuze laat,
zoals de dienaar ook niet de keuze heeft
de opdracht of het bevel van zijn heer naast zich neer te leggen.
Leerling zijn houdt gehoorzaamheid aan wat Jezus gebiedt in.
Niet als een houding van slaafse onderwerping (zie de lezing uit de Romeinenbrief)
maar als de consequentie van een vrije levenskeuze, van de vrije keuze tot navolging.
Jezus verschijnt hier niet als een nieuwe Mozes, maar als de verhoogde Messias,
die met goddelijke volmacht leven gevende woorden spreekt,
een te nemen of te laten weg ten leven aanbiedt, nl. die van de navolging.
Christus, die we als christen na te volgen hebben,
leefde als mens zelf in volstrekte gehoorzaamheid aan wat God ‘beveelt’.
Wat Jezus ‘bevolen’ heeft is in een-klank met Gods woord, met Gods gebod.
In het Matteüsevangelie is dat onvoorwaardelijke liefde en goedheid.
Bij Johannes is dat ‘liefde’ waarmee ‘ik jullie heb liefgehad’.
En de gehoorzaamheid aan dat gebod
heeft dus niets te maken met slaafse gehoorzaamheid,
maar met de inspiratie van de Geest
die een gehoorzaamheid oplevert, niet getekend door angst,
maar door vreugdevol ‘kinderlijk’ (niet naïef) vertrouwen.
En eens te meer blijkt dat de verkondiging in de Kerk meer moet zijn
dan het verkondigen van interessante spirituele wijsheden.
Het is een oproep tot leerling zijn, tot navolgen,
het is voorhouden wat Jezus ‘beveelt’
en dat ook in het eigen leven leren te onderhouden.
Het geloof is niet een spontane levenshouding die men van nature bezit.
Christen zijn staat vaak haaks op menselijke verlangens
en de menselijke drang naar persoonlijke en individuele
bevrediging, beveiliging en bevestiging en vrijheid om deze te realiseren.
Het ‘ik’ leren loslaten, jezelf verloochenen
is een kwestie van leren, aanleren en oefenen.
Zoals stiltebeleving en schenken van tijd en aandacht.

Tussen de roeping tot het christen zijn, tot de navolging
en het effectief navolgen en de geloofsbeleving staat het doopsel,
reeds heel vroeg in de apostolische kerk aanwezig
als het ritueel waarin de roeping en de gave van de Geest
– die de navolging, het nieuwe leven mogelijk maakt – vervat is.
Door het vrijwillig aanvaarde doopsel treedt men ook
in gemeenschap met Christus en in de gemeenschap van Christus.
Het was reeds het inzicht van de apostolische kerk
dat christen zijn zonder die gemeenschap niet kan. Wat betekent nu ‘dopen in de naam van de Vader, en de Zoon en de heilige Geest’?
Het betekent dat alles wat men als gedoopte doet, zal doen ‘in die naam’,
dat wil zeggen in volmaakte eenheid met God, niet in eigen naam…
Het is een eenheid met een onvoorwaardelijk liefdevolle Vader,
en dit door een eenheid met Christus – de navolging –
die door de gave van de Geest mogelijk gemaakt wordt.