Homilie voor het hoogfeest van Pinksteren

5 juni 2022

Handelingen 2, 1-11
Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren alleen bijeen op dezelfde plaats. Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren was er vol van. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. Zij werden allen vervuld van de Heilige Geest en zij begonnen te spreken in vreemde talen, naargelang de Geest hun te vertolken gaf. Nu woonden er in Jeruzalem Joden, vrome mannen die afkomstig waren uit alle volkeren onder de hemel. Toen dat geluid ontstond, liepen die te hoop en tot hun verbazing hoorde iedereen hen spreken in zijn taal. Zij waren buiten zichzelf en zeiden vol verwondering: Maar zijn al die daar spreken dan geen Galileeërs? Hoe komt het dan dat ieder van ons hen hoort spreken in zijn eigen moedertaal? Parten, Meden en Elamieten, bewoners van Mesopotamië, van Judea en Kappadocië, van Pontus en Asia, van Frygië en Pamfilië, Egypte en het gebied van Libië bij Cyrene, de Romeinen die hier verblijven, Joden zowel als proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken van Gods grote daden.

Johannes 20, 19-23
In de avond van die eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei:   “Vrede zij u.” Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen.   Nogmaals zei Jezus tot hen: “Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.”  Na deze woorden blies Hij over hen en zei: “Ontvang de heilige Geest.   Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.”

Aad van der Drift, CC BY 2.0, via Wikimedia Commons
“Alles zal zwichten en verwaaien,
wat op het licht niet is geijkt.”
(Huub Oosterhuis)

Als gij dus goede gaven weet te geven aan uw kinderen,
hoeveel te meer zal dan uw Vader die in de hemel is,
het goede geven aan wie Hem daarom vragen. (Mt 7,11).
Zo lezen we in het evangelie van Matteüs.
Maar in het evangelie van Lucas lezen we:
Als gij dus goede gaven aan uw kinderen weet te geven,
hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel
de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen. (Lucas 11, 13)
Het enige waar we de Vader echt om moeten vragen,
voor onszelf, voor onze geliefden en voor onze kerkgemeenschap, is de heilige Geest.
En eigenlijk hebben we die Geest al ontvangen.
Als we om de Geest vragen dan vragen we
dat die in ons en met ons zijn werk mag doen.
Wat doet die Geest in en met ons?

In de lezingen van dit hoogfeest van Pinksteren is alle Bijbelse symboliek aanwezig
die ons duidelijk maakt wat de Geest van God met mensen doet.
De Geest van God is als de wind, die vrij is, geen grenzen kent,
die zich geen beperkingen laat opleggen, die stof wegblaast
en ook verwoestend kan uithalen.
Huub Oosterhuis dicht in zijn Hymne aan het Licht:
Alles zal zwichten en verwaaien wat op het licht niet is geijkt.
In het Hebreeuws is het woord voor wind ‘ruach’ en dat woord betekent ook: adem.
In het oudste scheppingsverhaal blaast God de mens die ademin.
En dan lezen we: Zo werd de mens een levend wezen.
De adem Gods, de heilige Geest is leven gevend, doet de mens leven, echt leven.
Jezus, die vrij is, geen grenzen kent, zich niet laat beperken,
zich niet laat tegenhouden door gesloten deuren,
blaast de leerlingen nieuw leven in, doet hun angst verwaaien.
En de Geest is als vuur, lichtgevend en leidend zoals de vuurkolom in de woestijn,
die het duister verdrijft, de weg baant en zichtbaar maakt.
Maar vuur is ook vernietigend en zuiverend, brandt weg wat niet echt is, niet zuiver.
Ons woordje ‘puur’ heeft trouwens dezelfde oorsprong als ‘vuur’,
namelijk het Griekse woord ‘puur’, dat vuur betekent!

Het Pinksterfeest was een oud Israëlitisch oogstfeest
dat evolueerde naar het feest van de gave van de wet aan Mozes op de Sinaï.
Voor de gelovige Israëlieten in Jezus’ tijd en onze Joodse zusters en broeders
is die wet, de Thora, het lichtgevende en leidende in hun leven
en die Thora bevat voor hen en ook voor ons inspirerende woorden van eeuwig leven,
woorden vol van Gods Geest, woorden die leren wat goed is, wat God wil
opdat wij in vrede en vreugde met elkaar zouden leven.
Voor ons, christenen, is Pinksteren het feest van de gave van Gods Geest,
de Geest die ons de woorden van Jezus in herinnering brengt,
die ons leert wat Jezus ons zegt
en ons niet alleen leert te luisteren naar die woorden,
maar ons ook de kracht geeft ze te volbrengen.
De Geest is niet alleen de Geest van wijsheid, maar ook van liefde.
Het is zoals paus Franciscus het zegt:
de Geest in ons is het goede, de kracht ‘die ons tot mens maakt
en ons in staat stelt een nieuw leven te leiden.’
Hoe mooi wordt dit alles uitgedrukt in die oude hymne Veni Creator:
de Geest is het die ons hart vervult en ons barmhartig maakt,
de Geest is de bron waaruit echt leven en liefdevuur ons doordringt,
die ons duistere verstand verlicht, die ons vrede geeft,
die ons God doet kennen, omdat we God beleven in onze goedheid en liefde.
God kennen, maar niet van horen zeggen…

Het is de Geest waarvan Jezus totaal vervuld was.
Christen zijn is ons door die Geest,
door Jezus’ ingesteldheid en gezindheid laten vervullen,
zodat wij leven bevrijd van angst en egoïsme,
niet beperkt door de wetten van deze wereld,
een materialistische, individualistische consumptie- en prestatiemaatschappij,
beheerst door de goden van de wereld, bezit, macht en eigenbaat.
Een ergerlijke wereld waarin de wet heerst van wat ‘ik wil’
of ook wel de angst regeert.
De Geest maakt ons tot andere mensen
die verlangen naar en bouwen aan een beter wereld,
een wereld van vrede en solidariteit, van goedheid en waarheid.
Tot verzet tegen deze wereld en tot inzet voor die betere zijn we geroepen
en daartoe geeft Jezus ons zijn Geest.


Omslagfoto: Aad van der Drift, CC BY 2.0, via Wikimedia Commons