Homilie voor Palmzondag

24 maart 2024

Tweede Lezing: Fil 2, 6-11
Broeders en zusters, Hij, die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de Naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van zijn Naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer.

Bron: Kijkbijbel – Kees de Kort

Met Palmzondag begint voor ons een heilige tijd, de meest heilige tijd van het jaar.
Die eindigt met het Paasfeest.
Op dat feest gedenken we de verrijzenis van Christus,
maar we vieren onze wedergeboorte.
We zijn vreugdevol om het nieuwe leven
dat voor ons door Gods ‘inwoning’ (hetgeen we vieren op Pinksteren!) geschonken wordt
en waarnaar Jezus ons de weg getoond, geopenbaard en geopend heeft..
Het is een leven van liefdevolle eenheid met God en mensen.
Het is een leven van liefde en goedheid, van vrede en vreugde.
Het is dus een leven in de kracht van de Geest, de Geest die in ons hart is uitgestort.
Het is een leven van navolging van en gelijkheid met Christus.
Op het Paasfeest zullen we ons geloof en engagement als christen hernieuwen.
We zullen opnieuw beloven als nieuwe mensen te leven,
het nieuwe leven van liefde en vrede te leiden,
mee te bouwen aan een nieuwe en betere wereld.

Vandaag, bij het begin van deze heilige tijd dienen we ons bereid te verklaren
om Jezus na te volgen, hierbij luisterend naar zijn woorden:
Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen
door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. 
(Marcus 8, 34)
De evangelist Marcus heeft deze woorden
werkelijk letterlijk in het midden van zijn evangelie geplaatst,
het evangelie dat samengesteld werd als een paascatechese,
een catechese waarmee voor hen, die in de paasnacht gedoopt werden,
nog een laatste maal duidelijk gemaakt werd wie die Jezus, die ze willen navolgen, is
en wat die navolging betekent: zichzelf verloochenen en het kruis opnemen.

De tweede lezing van Palmzondag is de bekende Christushymne
uit de brief van Paulus aan de Filippenzen (Filippenzen 2, 6-11).
Het is jammer dat bij het als lezing geselecteerde fragment
niet de inleidende verzen gelezen worden:
Maakt dan mijn vreugde volkomen door uw eenheid van denken,
uw eenheid in de liefde, uw saamhorigheid en eensgezindheid.  
Geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid,
maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf.  
Laat niemand zijn eigen belangen behartigen maar liever die van zijn naasten.  
Die gezindheid moet onder u heersen welke ook Christus Jezus bezielde. 
(Filippenzen 2, 2-5).
Hierin lezen we de reden waarom Paulus die Christushymne in zijn brief opneemt.
Paulus wil duidelijk maken met welke gezindheid, met welke ingesteldheid Jezus leefde.
Hij roept de christenen op met deze ingesteldheid te leven.
Jezus navolgen is leven met zijn ingesteldheid, gezindheid, mentaliteit.
De Christushymne schetst deze gezindheid waarmee we moeten leven,
als we christenen willen zijn, Jezus willen navolgen.
De weg die Jezus volgt en waarop wij Hem moeten navolgen als we dat echt willen,
is een weg van zelfontlediging,
het aan de kant schuiven van ons ego in zichzelf-gevende liefde,
een weg die wij beleven in gebed en dienstbare liefde aan de medemens.
Het is een weg van gehoorzaamheid aan wat God wil.
Het is de enige weg naar ware vrede en vreugde,
de enige weg naar een andere en rechtvaardiger wereld.
Zowel het kruisbeeld in de kerk, in ons huis, in de plaatsen waar we samenzijn
en het palmtakje waarmee we het tooien kunnen slechts deze betekenis hebben:
ons aan die weg herinneren, ons iedere dag oproepen Jezus na te volgen op die weg.

Naast het passieverhaal
(waarvan gewoonlijk en jammerlijk genoeg het eerste deel weggelaten wordt,
‘omdat het anders te lang zou duren’
en waarvan we dit jaar de Marcusversie lezen)
wordt bij het begin van de viering op Palmzondag
ook het evangelieverhaal van de intocht in Jeruzalem gelezen.
Dit jaar dus ook de Marcusversie.
Hoezeer de beschrijving van deze intocht ook het beeld van een triomftocht oproept,
toch verschijnt Jezus er niet als een overwinnende koning
beantwoordend aan “wereldse normen” van macht en aanzien en verhevenheid.
Misschien daarover teleurgesteld zullen velen, nu enthousiast en vol verwachtingen,
straks roepen: “Kruisig hem!”.
Een ‘edel’ paard gold sinds lang als symbool van die wereldse verhevenheid,
het dier waarop men gezeten, zich letterlijk boven de mensen kan verheffen.
Dit kan men niet wanneer men – zo lezen we bij Marcus en Lucas –
rijdt op een veulen van een ezel, hetgeen voor een volwassene praktisch onmogelijk is,
voor het veulen wellicht nog minder en zeker not done
voor aanhangers van dierenrechtenorganisaties.
Maar hier wordt wel aangetoond dat Jezus de profetie van Zacharias vervult:
Zegt aan de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u,
zachtmoedig en gezeten op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier.
(Zach 9,9)
Voor Pilatus zal Jezus bevestigen dat Hij koning is.
Maar de koning die hier verschijnt en zich laat zien, is niet verheven,
maar nederig en zachtmoedig.
Dat zegt Jezus in het Matteüsevangelie ook van zichzelf
(en Hij mag zoiets van zichzelf zeggen…):
Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt,
en Ik zal u rust en verlichting schenken. 
Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart.
En gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.
(Matteüs 11, 28-30).

De ‘koning’ die hier verschijnt is diegene “die bestond in goddelijke majesteit”
maar die zich niet heeft willen “vastklampen aan de gelijkheid met God” (Filippenzen 2, 6).
De koning die hier verschijnt, verschijnt “als mens”,
niet een mens die bezwijkt voor de verleiding om Gods gelijke te zijn (Genesis 3, 5),
een mens die zich niet verheft of wil verheffen, maar die zich “vernederd
door gehoorzaam te worden tot de dood aan het kruis”. (Filippenzen 2, 7.8)

In het Johannesevangelie lezen we
dat de apostel Filippus aan Jezus vraagt de Vader te tonen.
Jezus antwoordt Hem: Ik ben al zo lang bij u en gij kent Mij nog niet, Filippus?
Wie Mij ziet, ziet de Vader. 
(Johannes 14, 9)
Maar wie zien de leerlingen? En wie zien wij in het evangelie?
(Niet: wie willen we zien? Niet: welk beeld hebben we ons van Hem gemaakt?)
Een kind geboren tussen herders en hun schapen.
Een kind gehoorzaam aan zijn ouders.
Een mens zoals alle anderen.
Een mens die ook het doopsel van bekering erkende en aanvaardde
alsof Hij er nood aan had.
Een mens die zelfs vatbaar was voor de verleiding van rijkdom, eer en macht.
Een mens die angst kende, maar er zich wel niet door liet leiden, verleiden.
Een leraar die als herinnerend teken van zijn leven en van Gods liefde
het meest onbeduidende teken nam: een onnozel stuk brood.
Een mens die de slavendood stierf, verloochend en uitgeteld, eenzaam en verlaten.
(Alleen in het passieverhaal van Johannes staat Maria samen met de geliefde leerling
en andere vrouwen onder het kruis. In de drie andere passieverhalen staan ze
op een afstand van verre toe te kijken, zoals vele anderen. En van Maria is geen sprake…).
Een koning die op een ezel rijdt…

Welk Godsbeeld hebben wij? Wat denken wij over God?
In zijn boek De nederigheid van God noteert François Varillon
dat het door Jezus geopenbaarde Godsbeeld helemaal niet beantwoordt
aan wat mensen ‘van nature’ over God denken.
Wie over God blijft denken met pre-christelijke en antieke Godsbeelden
(wat helaas nog al te zeer gebeurt!!)
kan de uitspraak van Jezus ‘Wie Mij ziet, ziet de Vader’ niet snappen.
En begrijpen we eigenlijk wel de draagwijdte van Paulus’ woorden:
Want Joden eisen wonderen, heidenen verlangen wijsheid.  
Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus,
voor de Joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid. 
(1 Korintiërs 1, 22-23).
Eisen we van God wonderen om ons te helpen, wijsheid om ons de weg te wijzen,
dan zijn we geen volgelingen van de gekruisigde.
Die wonderen en wijsheid zijn ook buiten het evangelie en de Kerk te vinden
en velen gaan ze daar ook zoeken, en zoeken iets wat meer aan hun godsbeeld,
aan hun religieus aanvoelen beantwoordt.

Jezus’ woord ‘Wie mij ziet, ziet de Vader’ kan men maar beginnen te vatten
als men belijdt en leert begrijpen wat het zeggen wil dat God liefde is
en dat het meest radicale aspect van liefde nederigheid is.
Deze nederige God eren en liefhebben is niet voor Hem buigen
zoals mensen buigen voor de grootheid van een ander mens, voor een meerdere.
God liefhebben is geen eer bewijzend buigen voor een meerdere.
Het is buigen voor de mindere.
Dat doen we best door ook letterlijk voor minderen te buigen,
wat weer niet betekent: je over minderen neerbuigend buigen.
Er zijn zoveel neerbuigende vormen van nederigheid. Van goedheid ook.
Bonhoeffer zegt dat bij ware nederigheid ook verworpenheid hoort:
het vernederd worden!
Als er in de Christushymne in de Filippenzenbrief in het Nederlands gezongen wordt
en als mens verschenen heeft Hij zich vernederd,
dan heeft dat niets te maken met een trapje lager komen, met wat nederig gedoe.
Het is in trouw en gehoorzaamheid aan een engagement verworpen en vernederd worden.

Wie mij ziet, ziet de Vader.
Wie hebben de leerlingen gezien? Een slaaf die de voeten wast.
De almacht, de majesteit van God, die zichtbaar is geworden in Jezus,
is de macht van de liefde, de macht en de vrijheid tot complete zelfgave,
het volkomen loslaten van angst en zelfzucht, van alle eigenbelang,
het nooit ofte nimmer laten gelden van jezelf,
het nooit aan jezelf denken, het altijd eerst stellen van de anderen.
Voor ons mensen onmogelijk! Dat weten we uit zeer betrouwbare (!!) ervaring.
Maar niet voor God, want die is daarin al-machtig.
Dus niet in de zin van kunnen, van pouvoir dat in dienst wordt gesteld van het ik,
van de macht die altijd dreigt geperverteerd te worden…
Mijn koninkrijk is niet van deze wereld….

Op Pasen zullen we onze doopbeloften hernieuwen.
Dat is zo goed als zeggen dat we Jezus willen navolgen.
We hebben een week de tijd om goed na te denken
of we dat wel willen, daartoe in staat zijn:
de weg te gaan van dienstbare liefde, van de minste zijn,
de weg van zelfverloochening, desnoods met vernedering en verworpenheid.
Aan twee van zijn leerlingen stelt Jezus een vraag die zou kunnen dienen
als vraag aan vormelingen of aan volwassenen die gedoopt gaan worden:
Zijt ge in staat de beker te drinken die Ik drink
en met het doopsel gedoopt te worden waarmee Ik gedoopt wordt?
(Marcus 10, 39).
En ze antwoorden ook als vormelingen: Ja, dan kunnen wij!!
Bij dat zelfverzekerd antwoord denk ik met veel sympathie
aan de vader van een bezeten jongen die tot Jezus uitroept (!):
Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp! (Marcus 9,24)
Iedere dag begint mijn gebed in eenheid met de kerkgemeenschap als volgt:
God, kom mij te hulp! Heer, haast U mij te helpen!

Ik wens jullie allen een zalige Goede Week en zalige Paasdagen toe!
God zegene jullie allen.

(Ook dit is, zoals het ‘lang evangelie’, iets langer…)

Omslagafbeelding: bron: Kijkbijbel – Kees de Kort