Homilie voor Pasen

4 april 2021

Evangelie van de paaswake: Marcus 16, 1-8
Toen de sabbat voorbij was kochten Maria Magdalena,
Maria de moeder van Jakobus, en Salóme welriekende kruiden
om Hem te gaan balsemen.
Op de eerste dag van de week, heel vroeg,
toen de zon juist op was, gingen zij naar het graf.
Maar ze zeiden tot elkaar:
‘Wie zal de steen voor ons van de ingang van het graf wegrollen?’
Opkijkend bemerkten ze echter dat de steen weggerold was.
En deze was zeer groot.
Binnengetreden in het graf zagen ze tot hun ontsteltenis
aan de rechterkant een jongeman zitten in een wit gewaad.
Maar hij sprak tot hen: ‘Schrikt niet.
Gij zoekt Jezus de Nazarener die gekruisigd is. Hij is verrezen, Hij is niet hier.
Kijk, dit is de plaats waar men Hem neergelegd had.
Gaat aan zijn leerlingen en aan Petrus zeggen:
Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult ge Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.’
De vrouwen gingen naar buiten en vluchten weg van het graf,
want schrik en ontsteltenis hadden hen overweldigd.
En uit vrees zeiden ze er niemand iets van.

Fragment uit veelluik Passie en Verrijzenis van Arcabas

In het herontdekken waartoe Jezus ons werkelijk in het evangelie oproept
en wat de eigenlijke geloofswaarheid en boodschap,
vervat in het evangelie en in de belijdenis van de Kerk, inhouden,
is het van groot belang steeds maar te herhalen
dat we met Pasen de verrijzenis niet herdenken als een historisch gebeuren.
Dat plaats de verrijzenis in ons bewustzijn als een gegeven
dat ons eventueel kan beroeren als zovele andere historische feiten die we herdenken
maar dat verder geen consequenties in ons leven dient te hebben,
hoewel van iedere herdenking kan gezegd worden
dat ze een les, een waarschuwing of een aansporing kan inhouden
om fouten uit het verleden te vermijden of om voorbeelden na te volgen.
Maar de verrijzenis van Jezus is geen te herdenken historisch gebeuren.
Het is een goddelijk gebeuren dat hier en nu aan ons gebeurt.
De blijde boodschap dat Jezus verrezen is moet ons bewust maken
van het feit dat Hij nu leeft en aanwezig is,
onder ons leeft en in ons midden aanwezig is,
niet als iemand die wij met de ogen van ons lichaam kunnen zien
maar als iemand die in ons is en ons leven doet, een nieuw leven doet leiden.
Wij dragen de verrezen Heer in ons.
Dat is de genade van ons doopsel, de gave van de Geest van God.
De Geest in ons is de levende Heer. De levende Heer is God in ons.
Want Vader, Zoon en Geest zijn één.
Het is van groot belang onze broeders en zusters op het hart te drukken
dat God niet ‘daar ergens’ is, maar dat Hij in ons mensen woont,
zoals Huub Oosterhuis het zo mooi verwoordt:
“met hart en ziel aan ons getrouwd”.
Het is van groot belang onze zusters en broeders bewust te maken
dat dit een voor allen te ervaren gegeven is
en hen op te roepen vanuit dit bewustzijn te leven,
dus in diepe eenheid, communio, en verbondenheid
met de levende Christus in ons.
Opnieuw herinneren we ons wat paus Franciscus schrijft in De Vreugde van het Evangelie:
Daarom hebben we een contemplatieve ingesteldheid nodig
die ons iedere dag opnieuw in staat stelt te ontdekken
dat we dragers zijn van een goed dat ons tot mens maakt,
en ons in staat stelt een nieuw leven te leiden.

Het goede dat we in ons dragen, dat ons tot mens maakt,
dat ons in staat stelt een nieuw leven te leiden,
is dat goede waarvan Jezus zegt dat de Vader het ons zal geven
als we er Hem om vragen.
Het is zijn Geest, de aanwezigheid van de verrezen Heer in ons.
Het nieuwe leven dat we in eenheid met Hem kunnen leiden
is een leven van louter liefdevolle dienstbaarheid aan medemensen,
een leven waarin we onszelf geven en zich onszelf verloochenen.
Het is een leven van vrede en vreugde,
niet zoals de wereld die geven, maar zoals Christus die geeft,
zijn vrede en zijn vreugde, een volkomen vrede en vreugde.
Deze boodschap is niet te moeilijk.
Ze is alleen moeilijk voor wie hem niet beleven
en zich tevreden stellen met een geloof
waarmee we God misschien wel op ons leven betrekken,
maar niet in ons ervaren willen,
een geloof als systeem van geloofswaarheden, van vroomheid,
principes van christelijke wellevendheid
en algemeen menselijke waarden van rechtvaardigheid en verbondenheid en diaconie
waarvoor men eigenlijk God niet van doen heeft.
Natuurlijk is het streven naar rechtvaardigheid een christelijke plicht en deugd.
Zo ook het zoeken en beleven van verbondenheid.
En wat de diaconie betreft, zouden de christenen een licht voor de wereld moeten zijn.
Ze zijn dat geweest en velen zijn dat tot op vandaag.
Maar zij die geen christen zijn en ‘de God daar’ als nonsens afwijzen
kennen ook liefde, eerbied, respect en alle andere waarden als richtinggevend in hun leven.
Ze kunnen eveneens prachtig georkestreerde liturgie bijwonen
zonder maar één keer het hart tot God te verheffen.
Dat geldt voor vele christenen trouwens ook.,
zij die zelden aansluiting zoeken bij het luisteren naar de Geest in ons,
en hoe te leren leven en liefhebben vanuit dit luisteren.
Nee, deze boodschap is niet te moeilijk.
Maar wie dat toch vindt, heeft misschien baat bij beelden en parabels.

We kozen dit jaar het beeld van de Goede Herder
voor het versierend embleem van onze paaskaarsen.
De Goede Herder is één van de oudste afbeeldingen van Christus.
De jonge baardloze herder met een jong schaap op de schouders
verwijst natuurlijk naar de parabel van het verloren schaap.
Maar die voorstelling van Christus is ‘ontleend’
aan antieke Griekse en Romeinse voorstellingen van o.a. de god Hermes Krioforos
(‘de ram (krios) dragende (foros) Hermes’).
Het dier dat Hermes draagt is echter een offerdier
en wacht niet zoals in de parabel een behouden thuiskomst in de veilige stal.
De godheid zou een stad van de pest gered hebben
door met het offerdier op zijn schouders rond de stad te trekken
en het vervolgens te offeren.

Lalupa, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons

Onze Goede Herder is een beeld dat verwijst naar de reddende komst van Christus
en is sterk verbonden met de belijdenis van Gods barmhartigheid.
De figuur op de paaskaars nodigt ons dan ook uit
om de ‘verloren’ mens in onze samenleving barmhartig te zijn,
te dragen in tederheid en mededogen
en voor hem of haar die Christus te zijn,
die de ‘verlorene’ de moeite waard vindt
om vele anderen even te laten wachten op onze aandacht.
Zeker in de 5de eeuw was er ook al de voorstelling van Christus als offerlam, als paaslam,
het éénjarig mannelijk lam dat geslacht werd/wordt tijdens het Joodse Paasfeest,
het feest waarop gelovige Joden de bevrijding uit Egypte herdachten/herdenken.
Johannes de Doper duidt in het Johannesevangelie Jezus aan
als het ‘Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt’,
alles dus wat leven, vrijheid, vrede en vreugde bedreigt.
Als we het lam op de versiering van onze paaskaarsen
als voorstelling van Christus interpreteren, wie draagt er dan Christus.
Wie is dan de ‘Christoforos’?
Iedere gedoopte is een ‘Christoforos’.
Dat Christus verrezen is, betekent dat Hij in ons leeft,
dat we Hem in ons dragen,
dat Hij de levende in ons is, die ons echt leven doet,
die ons doet opstaan uit een leven van ik-gerichtheid
tot een leven van eenheid met God en zelfontlediging
waardoor we in staat zijn tot onvoorwaardelijke en onverdeelde liefde,
niet aflatend verzet tegen onrecht, niet ophoudende inzet voor rechtvaardigheid,
tot diaconie die verder gaat als erkenning en waardering ophoudt
en de zinvolheid ervan in vraag gesteld wordt.
Tot gebed en liturgie ook waarin we onszelf niet zoeken
maar alleen met ons hart bij de Heer willen zijn
om dan des te meer bewust van zijn aanwezigheid in ons
verbonden te leven met mensen in oprechte nederige liefde.

Victimae paschali laudes immolent Christiani.
Laten de christenen aan het Paaslam huldezangen wijden.

Agnus redemit oves: Christus innocens Patri reconciliavit peccatores.
Het Lam heeft nu de schapen vrijgekocht; en Christus, die zonder zonden was, heeft de
zondaars met de Vader weer verzoend.


Mors et vita duello conflixere mirando: dux vitae mortuus, regnat vivus.
Dood en leven streden een wondere strijd; de vorst des levens, die gestorven was, heerst nu
in onvergankelijkheid.


Dic nobis Maria, quid vidisti in via?
Zeg ons, Maria, wat hebt gij op uw weg gezien?

Sepulcrum Christi viventis, et gloriam vidi resurgentis:
Ik zag het graf van de levende Christus en de heerlijkheid van de Verrezene;

Angelicos testes, sudarium, et vestes.
zijn engelen zag ik als getuigen en ook de zweetdoek en het grafkleed.

Surrexit Christus spes mea: praecedet suos [vos] in Galilaeam.
Christus, mijn hoop, is verrezen! Hij zal de zijnen voorgaan naar Galilea.

Scimus Christum surrexisse a mortuis vere: tu nobis, victor Rex, miserere.
[Amen.] [Alleluia.]
Nu weten wij, dat Christus uit de doden is verrezen. Gij, overwinnaar Koning, ontferm u over
ons. Amen. Alleluja.


Omslagfoto: Fragment uit veelluik Passie en Verrijzenis van Arcabas