Homilie voor Witte Donderdag

1 april 2021

Evangelielezing: Johannes 13, 1-15
Het paasfeest was op handen. Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld
over te gaan naar de Vader en die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van
zijn liefde tot het uiterste toe. Het avondmaal was begonnen. De duivel had reeds aan Judas
Iskariot, de zoon van Simon, het plan ingegeven om Hem over te leveren. In het bewustzijn
dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar
God terugkeerde, stond Hij van tafel op, legde zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en
omgordde zich daarmee. Daarop goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van
de leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen. Zo kwam
Hij bij Simon Petrus, die echter tot Hem zei: “Heer wilt Gij mij de voeten wassen?” Jezus gaf
hem ten antwoord: “Wat Ik doe begrijpt ge nu nog niet, maar later zult gij het inzien.” Toen
zei Petrus tot Hem: “Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen!” Jezus
antwoordde hem: “Als gij u niet door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn.”
Daarop zei Simon Petrus tot Hem: “Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen
en hoofd.” Maar Jezus antwoordde: “Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te
wassen, hij is immers helemaal rein. Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen.” Hij wist immers
wie Hem zou overleveren. Daarom zei Hij: “Niet allen zijt gij rein.” Toen Hij dan hun voeten
had gewassen, zijn bovenkleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan, sprak Hij
tot hen: “Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer, en dat doet
gij terecht, want dat ben Ik. Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan
behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt
doen zoals Ik u gedaan heb.

De overlevering over Jezus’ laatste avondmaal, die Paulus heeft ontvangen,
verschilt wat van deze die we lezen in de synoptische evangelies.
In de evangelies lezen we ook dat Jezus brood en beker duidt
als zijn lichaam en zijn bloed, maar daar zegt Hij er niet bij
dat we dit verder dienen te doen om Hem te gedenken.
Dat lezen we alleen in de brief van Paulus aan de Korintiërs.
In het evangelie van Johannes komt Jezus’ symbolische handeling
bij brood en beker zelfs niet voor.
Maar in Johannes’ relaas van Jezus’ laatste avond met zijn leerlingen
horen we dat Jezus iets anders opdraagt om Hem te gedenken
in de kring van de leerlingen:
naar zijn voorbeeld elkaar de voeten wassen.
De voetwassing bij het begin van een maaltijd
was een taak voor slaven.
Jezus wordt dus de slaaf van zijn leerlingen,
die Hij even later toch zijn vrienden zal heten.
Hij vraagt van ons om elkaar als slaven te dienen.
Dat lezen we ook in het Marcusevangelie
als Hij de leerlingen na een ruzie over de pikorde terechtwijst:
Wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn,
en wie onder u de eerste wil zijn moet de slaaf van allen zijn.

Met zijn woorden en voorbeeld wijst Jezus ons
op de ingesteldheid waarmee we met elkaar en met mensen dienen om te gaan,
op de ingesteldheid waarmee we bij elkaar en bij mensen aanwezig dienen te zijn.
Het gaat uiteraard over dienende liefde,
maar Jezus’ woorden en voorbeeld wijzen wel
op de fundamentele onderliggende ingesteldheid
waardoor die dienende liefde echt als goddelijk kan gelden.
Het gaat er daarbij niet om dat we doen als een slaaf,
het gaat erom dat we de ingesteldheid van een slaaf hebben.
Dat dit een goddelijke ingesteldheid is kan zeer vreemd klinken.
Toch is dit zo.
Het gaat over de ingesteldheid van zelfontlediging.
Totale zelfontlediging betekent
dat er in ons geen ‘ik’ meer aanwezig is,
of zoals Paulus het uitdrukt in zijn brief aan de Galaten:
Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij. (2, 20)
Zo kon ook Jezus zeggen:
Ikzelf, Jezus van Nazaret, leef niet meer, God is het die in mij leeft.
Daardoor kunnen we van die Jezus zeggen, dat Hij de Christus is,
Zoon van God, wezensgelijke van de Vader.
Zo dienen we ook wezensgelijk te zijn met Christus.
Het gaat er niet om te doen als Christus,
het gaat er om Christus zo in ons te laten leven, dat we Christus zijn.
Dan zullen ook wij zonder storend ‘ego’ in ons leven bij mensen aanwezig zijn,
zuiver liefdevol betrokken op hun leven en welzijn.
Dan zal ook in ons dienend aanwezig zijn geen ik-gerichtheid heersen,
ook niet in ons bidden, in ons vieren, in onze eucharistische vroomheid.
Dan ebt in ons alle ergernis en frustratie eveneens weg.
Dat zo’n zelfontlediging goddelijk is wordt duidelijk
als we bedenken hoe onmogelijk het voor ons is om ons ‘ik’ los te laten,
om zonder ego te leven.
We kunnen daarom maar deelgenoot zijn van Christus’ totale eenheid met God
en dus deelgenoot zijn van een leven van totale zelfontlediging
als we Christus in ons laten leven, als we ons door Hem laten wassen,
hetgeen een levenslang oefenen is in loslaten van ons ego
in gebed en dienstbaarheid,
vooral in dienstbaarheid die ongezien en ongehoord is,
die volhoudt als er geen eer, voldoening, dank, appreciatie aan verbonden is,
als het dus slavenwerk is.
Maar alleen God bezit geen ‘ik’, geen ‘ego’.
Als we een zijn met God door Christus heeft dat ego ook geen zeggingschap meer.
Zodra dat ego onder eender welke vorm aandacht opeist
verdwijnt de eenheid met God.


Omslagafbeelding: Rijksmuseum, CC0, via Wikimedia Commons