“Want ook ons Paaslam is geslacht: Christus zelf”

Zaterdagavond was er in onze pastorale eenheid een paaswake in beperkte kring met 15 mensen die in onze pastorale eenheid op de één of andere manier eindverantwoordelijkheid nemen. De vier paaskaarsen die vanaf Pasen in onze vier kerken branden in de paastijd, bij doopvieringen, uitvaarten en andere belangrijke vieringen werden er gewijd. De paaskaars is het symbool van de verrezen Christus, de levende die in ons midden aanwezig is en rond wie we in de eucharistie gemeenschap vormen. We kozen dit jaar voor het versierend embleem van de Goede Herder.

Hermes Krioforos…
De Goede Herder is één van de oudste afbeeldingen van Christus. De jonge baardloze herder met een jong schaap op de schouders verwijst natuurlijk naar de parabel van het verloren schaap in Matteüs 18 en Lucas 15, maar de voorstelling van Christus is ‘ontleend’ aan antieke Griekse en Romeinse voorstellingen van o.a. de god Hermes Krioforos (‘de ram (krios) dragende (foros) Hermes’). Het dier dat Hermes draagt is echter een offerdier en wacht niet zoals bij Matteüs en Lucas een behouden thuiskomst in de veilige stal. De godheid zou een stad van de pest gered hebben door met het offerdier op zijn schouders rond de stad te trekken en het vervolgens te offeren.

Goede Herder
Christus als Goede Herder is een beeld dat verwijst naar de reddende komst van de Heiland en is sterk verbonden met de idee van barmhartigheid. De figuur op de paaskaars nodigt ons uit om de ‘verloren’ mens te dragen in tederheid en mededogen en voor hem of haar die Christus te zijn, die de ‘verlorene’ de moeite waard vindt om vele anderen even te laten wachten op onze aandacht.

Paaslam
Zeker in de 5de eeuw was er ook al de voorstelling van Christus als paaslam, het éénjarig mannelijk lam dat geslacht werd/wordt tijdens het Joodse Paasfeest, het feest waarop gelovige Joden de bevrijding uit Egypte herdachten/herdenken. In Exodus 12 lezen we dat het bloed van dit geslachte lam op de deurposten van de huizen diende gestreken te worden in de nacht voor de eigenlijke uittocht en dat de engel des doods dan dit huis zou ‘voorbijgaan’ (in het Hebreeuwd pasach). Johannes de Doper duidt in het Johannesevangelie (1, 28) Jezus aan als het ‘Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt’. Of hier gedacht wordt aan het paaslam of aan een lam dat als verzoeningsoffer geslacht werd is onduidelijk. Maar de vroege christenen hebben bij de voorstelling van Christus als paaslam zeker ook gedacht aan bevrijding van kwaad en zonde. Als we het lam op de versiering van onze paaskaarsen als voorstelling van Christus interpreteren, wie draagt er dan Christus, ‘ons paaslam dat geslacht is’? Wie is dan de ‘Christoforos’?

Christoforos
Iedere gedoopte is een ‘Christoforos’. We dragen echter Christus niet op onze schouders (dat is een beeld), maar in ons! Dat Christus verrezen is, betekent dat Hij in ons leeft, dat Hij de levende in ons is, die ons echt leven doet! De ontdekking dat de zon niet rond de aarde draait, maar de aarde rond de zon draait, noemen we de Copernicaanse revolutie, omdat de Pools-Pruisische kanunnik Nicolaas Copernicus (1473-1543) de eerste was die daarmee naar buiten kwam. Dat we Christus niet hoeven te zoeken als een ‘levenskracht’ buiten ons maar in ons aanwezig mogen weten en ervaren, is voor vele gelovigen ook een ‘revolutie’ in het geloofsleven, eveneens een noodzakelijke revolutie. Sint-Augustinus maakte deze innerlijke revolutie mee. Huub Oosterhuis maakte deze poëtische vertaling van enkele verzen uit Augustinus’ Belijdenissen: Veel te laat heb ik jou lief gekregen, schoonheid wat ben je oud wat ben je nieuw, veel te laat heb ik jou lief gekregen. Binnen in mij was je, ik was buiten
en ik zocht jou als een ziende blinde buiten mij…

“Nieuw leven”…
De afbeelding op onze paaskaarsen doet me dan denken aan wat paus Franciscus stelt in De Vreugde van het Evangelie, nl., “dat we dragers zijn van een goed dat ons tot mens maakt, en ons in staat stelt een nieuw leven te leiden.” Dat ‘goed’ is de geest van Christus, dus Christus.

(pastoor Dirk)


Omslagfoto: © Wim D’huyvetters