God gebeurt

De afbeelding van de barmhartige Samaritaan (Lucas 10) op de affiche en de gebedskaarten doet onmiddellijk de goede gedachte oprijzen, dat God gebeurt waar mensen elkaar helpen, ondersteunen, liefhebben, waar barmhartigheid betoond wordt. Dus daar waar ‘diakonie’ (van het Griekse ‘diakonia’) of dienstbaarheid geschiedt. De grondtoon wil dan ook dit jaar onze aandacht vestigen op die diakonie, zonder dewelke ons geloof slechts schijnheiligheid is. Maar welk soort ‘diakonie’?

Geen idee of levensbeschouwing!

‘God: een gebeuren’ had een even goede grondtoon kunnen wezen en zou misschien nog duidelijker gemaakt hebben dat God geen idee is, maar de inhoud van een ervaring, een gebeuren. Daarom is geloven geen ‘levensbeschouwing’ die uit dogma’s is samengesteld. Bedoelde ervaring is niet een gelukzalig verrukkend goed gevoel, maar de ervaring van de liefde. En de liefde die in het evangelie als gebod (!) centraal staat is de zorg voor het leven , het welzijn en het geluk van de medemens, de naaste, tot wie Jezus niet alleen het familielid, bloedverwant of volksgenoot rekent, maar ook en vooral de vreemde en de vijand. Het gebeuren waarin of waardoor God gebeurt is dat van de liefde, barmhartige zorgende liefde met een zeer vrouwelijk moederlijk gehalte. Opdat die liefde echt een Godsgebeuren zou zijn, dient ze wel onbegrensd, onverdeeld en onvoorwaardelijk te zijn. Gods liefde stelt geen voorwaarden om te gebeuren!

Voetwassing

Wanneer kan onze dienende barmhartigheid onbegrensd, onze dienende goedheid onverdeeld en onze zorgende en dienende liefde onvoorwaardelijk zijn? Als we de gezindheid van Christus in ons dragen. En die gezindheid toont Jezus als hij zijn leerlingen de voeten wast (Johannes 13). Dat had ook een voortreffelijk inspirerend evangelie bij de grondtoon kunnen zijn samen met de lezingen van de zondag, waarop we het jaarthema en het pastoraal jaar op gang trokken, de 26ste zondag door het jaar. We hoorden de parabel van de twee zonen (Mt 21, 28-32), waarvan één de wil van de vader doet en de ander niet. ‘God gebeurt’ waar mensen de wil van God doen. De eerste lezing, de fameuze ‘Christushymne’ uit de brief van Paulus aan de Filippenzen, sloot daar wonderwel bij aan, want Christus is de zoon die wel degelijk de wil van de Vader doet. Paulus drukt de Filippenzen op het hart: Geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid, maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf.

Laat niemand alleen zijn eigen belangen behartigen, maar liever die van zijn naasten. Die gezindheid moet onder u heersen welke Christus Jezus bezielde. ‘God gebeurt’ waar mensen de wil van God doen met en vanuit de gezindheid van Christus. Paulus beschrijft die gezindheid ook. Centraal in die beschrijvende verzen lezen we: Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen.

Slaaf…..?

Het Grieks (de taal van de evangelies en de brieven van Paulus) kent drie woorden voor ‘dienaar’.

Het eerste is het algemene woord diakonos, hij die dient of bedient, de ‘bedienaar’. De volgende twee woorden maken duidelijk dat we twee soorten dienaars of bedienaars hebben. Er is het woord akoloutos(waar ons woord ‘akoliet’, ‘misdienaar’ van komt). Hij is diegene die als ‘volgeling’ vrijwillig diensten verleent aan iemand of die daartoe uitgenodigd wordt en de uitnodiging vrijwillig aanvaardt om welke reden dan ook. Het Latijnse woord is minister. Tenslotte is er het woord doulos, ‘slaaf’, in het Latijn servus. Een slaaf is geen vrijwilliger. Hij kan zijn dienst niet zomaar vaarwel zeggen als een vrijwillig engagement omdat hij er zich niet meer goed in voelt, de collega’s niet leuk vindt, meent met iemand niet te kunnen samenwerken, of omdat de ‘patron’ hem niet zint, onvoldoende waardering ontvangt. Hij kan de mensen die hij moet dienen en bedienen ook niet kiezen. Hij kan niet weigeren hen te dienen of te bedienen. Hij dient niet omdat hij het graag doet, maar omdat hij moet. Omdat hij ertoe gedwongen wordt. Persoonlijke voorkeuren of meningen tellen niet. Het ‘ik’ telt absoluut niet.

Ergerlijk

Als Paulus zegt dat we de gezindheid van Christus in ons en in ons midden moeten laten heersen, dan betekent dat, dat we dienen waarbij we onszelf ontledigen (niet alleen ‘niet ik eerst’, maar ‘niet ik’) en ons daarbij als slaaf (doulos) van onze medemens gedragen. Geef toe: dat klinkt vrij ergerlijk radicaal. Maar zo is het! Dat is de radicaliteit van het evangelie. De voeten van de gasten wassen was slavenwerk. Ten opzichte van Hem noemt Jezus zijn leerlingen ‘vrienden’ als ze elkaar dienen als slaven! Dat lezen we ook als Hij hen na een ruzie over de pikorde terechtwijst: Wie onder u groot wil worden, moet dienaar (diakonos) van u zijn,  en wie onder u de eerste wil zijn moet de slaaf (doulos) van allen zijn (Mc 10, 43-44).

Dienen uit liefde

Toch stelt Paulus uitdrukkelijk dat we geen slaven van mensen moeten zijn (1 Kor 7,23) en we ons door anderen en door de ‘wereld’ geen juk moeten laten opleggen. Maar Jezus vraagt ons zijn juk te dragen (Mt 11, 29). Hij vraagt dat aan hen die Hij roept om Hem na te volgen. Anderen dienen doen we omdat de ander ons daartoe op-roept, omdat God ons in de ander roept tot liefde en goedheid en barmhartigheid, omdat het de wil van God is de naaste lief te hebben, onvoorwaardelijk, trouw, onverdeeld en onbegrensd. Dat kan alleen maar als er geen ‘ik’ meer is. God heeft geen ‘ik’. Daarom is Hij voor ons ‘onvoorstelbaar’ en alleen te kennen door de dienende liefde waarin we onszelf vergeten. Goed om dat te beseffen als we over diakonie in de Kerk babbelen.

(Priester Dirk)