• Leestijd:9 minuten gelezen

15 november 2020

Eerste Lezing: Spr 31, 10-13. 19-20. 30-31
Een sterke vrouw, wie zal haar vinden? Haar waarde gaat uit boven die van kostbare koralen. Het hart van haar man vertrouwt op haar en zijn winst zal hem niet ontgaan. Zij brengt hem goed, geen kwaad, alle dagen van haar leven. Zij kiest zorgvuldig wol en linnen en haar handen bewerken het met genoegen. Zij strekt haar handen uit naar het spinrokken en zij houdt de weefspoel in haar vingers. Zij opent haar hand voor de behoeftige en strekt haar armen uit naar de misdeelde. Bevalligheid is bedrieglijk, schoonheid is vluchtig, maar een vouw die de Heer vreest, zij moet geprezen worden. Roemt haar om de vrucht van haar handen en prijst haar bij de poorten om haar werken.

Evangelie: Mt 25, 14-30
 In die tijd hield Jezus zijn leerlingen deze gelijkenis voor: ‘Een man riep bij zijn vertrek naar het buitenland zijn dienaars bij zich om hun zijn bezit toe te vertrouwen. Aan de een gaf hij vijf talenten, aan de andere twee, aan een derde één, ieder naar zijn bekwaamheid. Daarna vertrok hij. Die de vijf talenten gekregen had, ging er terstond mee werken en verdiende er vijf bij. Zo verdiende ook degene die de twee gekregen had, er twee bij. Maar die er één had gekregen, ging een gat in de grond graven en het geld van zijn heer verbergen. Een hele tijd later kwam de heer van die dienaars terug en hield afrekening met hen. Die vijf talenten gekregen had, trad naar voren en bood nog vijf talenten aan met de woorden: Heer, vijf talenten hebt gij mij toevertrouwd; ziehier, vijf talenten heb ik erbij verdiend. Zijn meester sprak tot hem: uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer. Nu trad die van de twee talenten naar voren en zei: Heer, twee talenten hebt gij mij toevertrouwd; ziehier, twee talenten heb ik erbij verdiend. Zijn meester sprak tot hem: uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer. Tenslotte trad ook die van één talent naar voren en zei: Heer, ik heb ervaren dat gij een hard mens zijt, die oogst waar gij niet gezaaid hebt en binnenhaalt waar gij niet hebt uitgestrooid. Daarom was ik bang en ben uw talent in de grond gaan verbergen. Hier hebt ge uw eigendom terug. Maar zijn meester gaf hem ten antwoord: Slechte en luie knecht, je wist toch dat ik oogst waar ik niet gezaaid heb en binnenhaal waar ik niet heb uitgestrooid? Daarom had je mijn geld bij de bankiers moeten uitzetten, dan zou ik bij mijn komst mijn bezit met rente teruggekregen hebben. Neemt hem dus dat talent af en geeft het aan wie de tien talenten heeft. Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden, zelfs in overvloed gegeven worden; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft. En werpt die onnutte knecht buiten in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars.

Homilie
In deze laatste drie zondagen van het kerkelijk jaar krijgen we in de evangelielezingen de drie parabels te horen uit het 25ste hoofdstuk van Matteüs: zondag laatst, de parabel van de dwaze en verstandige bruidsmeisjes (vv.1-12); vandaag de parabel over het gebruik van de talenten (vv. 13-30); en volgende zondag, laatste zondag van het kerkelijk jaar, de parabel van het laatste oordeel (vv. 31-46).

Deze drie parabels zijn het slotstuk van de zgn. eschatologische redevoering, de laatste van de vijf redevoeringen waarrond het Mt-evangelie is opgebouwd: de Bergrede (5, 1-7, 27); de zendingsrede (9, 35-10, 42); de parabelrede (13, 1-52); de zgn. kerkelijke rede (17, 24-18, 35) en de eschatologische rede (24-25).

Met die drie parabels maakt Jezus voor een laatste keer heel duidelijk, waar het voor ons in het leven uit-eindelijk op neer komt (het Griekse eschaton betekent ‘laatste’, ‘uiterste’, ‘uit-einde-lijke’) en hoe we dus toegang krijgen tot het Rijk Gods.

In die drie parabels is er telkens een groep mensen die kunnen en mogen deelnemen aan het ‘feest’, aan het Rijk Gods, aan een liefdevol, vredevol en vreugdevol leven en samenleven, en anderen die dat niet kunnen en mogen.

Dat niet kunnen en mogen deelnemen is niet zozeer een straf, maar een gevolg van gebrek aan de noodzakelijke ingesteldheid, aan wijsheid en waakzaamheid, aan vertrouwen en creatieve durf, aan barmhartigheid en mededogen.

Het niet kunnen deelnemen is geen straf, maar een onmogelijkheid. Als je te laat in het station aankomt, kun je de trein niet meer nemen. Het is geen kwestie van niet mogen, van moedwillig uitgesloten worden. Je hoeft niet boos te zijn op de trein, je kan niet zeggen dat je door de Belgische Spoorwegen gestraft wordt.

In de parabels is het ook zo.

Toegegeven: de taal van de parabel klinkt wel hard, veroordelend en straffend. We moeten ook durven zeggen dat het thema van het ‘oordeel’, van het niet kunnen/mogen deelnemen aan het Rijk Gods, wel degelijk in Jezus’ verkondiging aanwezig is.

Bij God is weliswaar alleen liefde en barmhartigheid. En in zijn liefde en barmhartigheid biedt God aan ieder mens met veel geduld kansen en mogelijkheden aan om een liefdevol, vredevol en vreugdevol leven te leiden.

Maar de mens heeft de vrijheid om al of niet te kiezen voor zo’n leven, al of niet in te gaan op de mogelijkheden om het te be-leven.

In die zin komt het thema van het ‘oordeel’ in alle nieuwtestamentische tradities voor en vinden we het in zowat een kwart van Jezus’ woorden terug. Bij Matteüs is het – zoals ook uit de drie parabels blijkt – een lievelingsthema, een thema dat vandaag in verkondiging en catechese vaak ontkend en vermeden wordt.

De reden daarvoor is natuurlijk te vinden in een reactie op een vroegere kerkelijke verkondiging waarin dat thema niet alleen benadrukt werd, maar waarin het ‘oordeel’ in terroriserende donderpreken als een radicale veroordeling en straf aangebracht werd en waarin het niet kunnen/mogen deelnemen aan het Rijk Gods ook niet te wijten was aan een gebrek aan wijsheid en waakzaamheid, aan vertrouwen en creatieve durf, aan barmhartigheid en mededogen, maar aan falend moreel leven, waarbij vooral gefocust werd op de sexuele moraal.

De eerste en tweede dienaar worden ook niet geprezen  omdat ze moreel volmaakte en ‘zedige’ burgers zijn, maar omdat ze zich hebben ingezet met hun toevertrouwde talenten. Het oordeel treft hen die dat niet doen! Hoewel we natuurlijk niet meer houden van het alziend goddelijk oog dat ons weerhouden moest van vloeken en schuine moppen, en ook kerkelijk personeel kon aanmanen hun handen thuis te houden, is God toch wel degelijk diegene die het onrecht en het daardoor veroorzaakte lijden van mensen ziet, die het roepen van de arme en noodlijdende hoort, die het onrecht aanklaagt en daartoe mensen zendt, bezield met zijn Geest, mensen die in eenheid met Hem zien en horen.

Hierbij denk ik eens te meer aan wat de Duitse theologe, feministe en mystica Dorothee Sölle (1929-2003) schreef:
In de opvatting van bevrijdende theologie bekijkt de met God vereende ziel de wereld met Gods ogen: ze ziet als, als God, datgene wat anders onzichtbaar gemaakt wordt en geen rol speelt; ze hoort het gekerm van de hongerende kinderen; ze laat zich niet afleiden van de reële ellende; ze wordt één met God in de waarneming, in de kennis én in het handelen.
Bij de mensen in de verpauperde wijken bestaat de verlossing niet daarin dat een grote verre acteur de ellende van de onderdrukten opheft, maar daarin, dat deze verre nabijheid zo dichtbij wordt, dat hij in en door de met hem één geworden mensen actie onderneemt.

De eerste en de tweede dienaar zijn mensen die actie ondernemen vanuit hun ‘eenheid’ met de wil van hun heer, bedoeld wordt: God. Het kwaad zien en oordelen is nog niet hetzelfde als de mens veroordelen.

Wat sommigen ook vergeten is dat de verkondiging van het Rijk Gods, de Blijde Boodschap, ook wel degelijk een oproep tot bekering inhoudt: een zich afwenden van en een zich verzetten tegen het kwaad en vooral, een zich actief toewenden naar liefde, naar het goede.

Het is dringend tijd dat dit ook weerom in de catechese voor eerste communie en vormsel aan bod komt!

De oproep tot inzet – met de ons gegeven talenten, rijkdom … – komt aan bod in de parabel van deze zondag. De sterke vrouw uit het Boek Spreuken wordt als voorbeeld opgevoerd.

Het zou jullie toch al moeten opgevallen zijn, dat in Jezus’ houding en in zijn verkondiging er een grote barmhartigheid is voor hen die kwaad deden en tot inzicht komen, een vaak ergerlijke en onbegrijpelijke grote barmhartigheid en mildheid voor de zondaars, de tollenaars, de hoeren, de heidenen.

Daarnaast is er, vooral in het Matteüs-evangelie, blijkbaar geen begrip voor hen die nalaten het goede te doen, barmhartig te zijn, zorg te dragen, voor hen die het gebod van de liefde, waardoor we aan God gelijk zijn, minachten.

Vandaag klinkt er in de parabel een hard oordeel voor de mens die niet als God creatief goed is geweest met de hem of haar gegeven mogelijkheden en kansen, met de hem of haar gegeven verantwoordelijkheid, al is die ook gering.

Er is ook geen begrip voor de motivatie van de niet actieve dienaar: angst. Dat is nog een typisch kenmerk van Jezus’ optreden. In de evangelische wijsheid is de angstige zorg voor jezelf het tegendeel van vertrouwen, van geloof en dus ook van liefde.

De veeleisendheid van de heer is niet de oorzaak van de angst. Want de andere dienaren hebben immers dezelfde heer! De parabel is voor allen een oproep eerder dan een dreiging, een oproep om in ons leven vruchten voort te brengen van liefde, van goedheid, van gerechtigheid, van inzet en verzet.

We mogen daarbij geen angst vertonen, maar vertrouwen in onszelf en in God die ons tot liefde en goedheid oproept en ons daarin ook een weg naar diepe vrede en vreugde gegeven heeft.

BELGIUM’S

Christenen ook.
Maar niet om de show te stelen….


Omslagfoto: Ytzen, CC BY-SA 3.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0, via Wikimedia Commons