Homilie voor de 23ste zondag door het jaar

4 september 2022

Lc 14, 25-33
In die tijd trokken talloze mensen met Jezus mee. Hij keerde zich om en zei tot hen:
Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja, zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn.
Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn.
Als iemand van u een toren wil bouwen, zal hij dan niet eerst er voor gaan zitten om een begroting te maken of hij wel genoeg bezit om hem te voltooien? Anders zou het hem kunnen overkomen – als hij de fundering heeft gelegd en niet in staat is het werk te voltooien – dat allen die het zien hem gaan bespotten en zeggen: Die man begon te bouwen, maar hij was niet in staat het einde te halen.
Of welke koning zal – als hij tegen een andere koning ter oorlog wil trekken – niet eerst overleggen of hij sterk genoeg is om met tienduizend man het hoofd te bieden aan iemand, die met twintigduizend man tegen hem optrekt? Zo niet, dan stuurt hij, als de tegenstander nog ver weg is, een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden.
Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.”

Foto: Sourabh.biswas003, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons

De evangelieperikope van deze zondag
bevat een door de evangelist Lucas samengesteld stuk.
Als we het cursief gedrukte gedeelte eruit halen
dan bekomen we een krachtig woord van Jezus
dat we zouden kunnen betitelen als ‘de voorwaarden voor het leerling zijn’.
Uit het eerste vers zou kunnen blijken dat Jezus zich in dit onderricht richt
tot de talloze mensen die met Hem meetrekken op zijn tocht naar Jeruzalem
en dat Hij door zijn strenge voorwaarden hun enthousiasme wil temperen.
Maar ook hier richt Jezus zich tot zijn leerlingen.
Als gedoopte en gevormde christenen dienen we ons bij die leerlingen te rekenen.
Daarbij mogen we ook bedenken dat het laatste voorwaarde – losmaken van bezit –
eveneens door de evangelist hier aan de twee vorige is gehecht.
Het toegevoegde cursief gedrukte gedeelte heeft een duidelijke boodschap:
ga, vooraleer je de eerste stap in de navolging zet,
bij jezelf goed na of je aan de gestelde voorwaarden kunt beantwoorden.
De eerste vermelde voorwaarde lijkt ons toch wel heel vreemd!
Wat kan Jezus bedoelen met het ‘haten’ van je geliefden?
Hij, die de liefde tot het allerbelangrijkste gebod verhief
en zelf als wezenlijk kenmerk van zijn leerling
de liefde voor de hatelijke vijand vermeldde?
Hij kan het gevoel van diepe afkeer voor een medemens dus niet bedoelen.
Dit gevoel zien we meestal als het tegengestelde van liefde.
Maar hier hebben we met dit tegengestelde niet te doen.
We kunnen het woord van Jezus alleen begrijpen
als we de Hebreeuwse manier van denken en spreken leren verstaan.
Zoiets als een moeder die tot haar baby zegt: ‘Ik zou je kunnen opeten!’
Het is een overdreven sterke wijze om haar liefde voor haar kind uit te drukken.
Niemand begrijpt dit letterlijk!
De uitdrukking ‘haten’ is een zeer sterke uitdrukking voor
het zich vrij maken van de sterke sociale en emotionele band
waardoor je aan geliefden of andere mensen,
zoals leden van een vriendengroep of vereniging, gebonden kunt zijn.
Die band, die gebondenheid kan je verhinderen bepaalde keuzes te maken,
je eigen weg in het leven te gaan, jezelf te zijn.
Die gebondenheid kan je belemmeren vrij te zijn
en gehoor te geven aan datgene waarvan je weet
dat je het zou moeten doen.
Zoals gebondenheid aan je leven, hetgeen ervaarbaar is in angst,
je kan beletten om de waarheid te spreken of op te komen voor rechtvaardigheid.
Vooral in Jezus’ tijd was de sociale druk van
en de sociale gebondenheid aan familie zeer groot.
De evangelies bieden genoeg stof om aan te tonen
dat Jezus zelf van deze druk en gebondenheid vrij was.
Reeds als 12-jarige ging Hij zijn eigen weg
toen Hij na een bedevaart in de tempel achterbleef
en Hij zijn vader en moeder het verwijt maakte dat ze Hem gezocht hadden
en Hij stelde dat de gebondenheid aan zijn hemelse Vader bij Hem voorrang had.
Uit nog andere plaatsen van de evangelies blijkt
dat Jezus zich tegenover zijn familie heel los opstelt
en dat Hij absoluut geen enkele emotionele verbondenheid
met individuele personen nastreeft.
Zijn enige emotionele gebondenheid blijkt die met God te zijn,
hetgeen voor ons vrij moeilijk te verstaan en te accepteren valt!
Tenzij we dan kijken naar Franciscus en Clara van Assisi
die wel degelijk tegen de druk van hun ouders en familie in
het levenspad kozen, dat hen tot de voorbeeldigste navolgers van Christus maakte.
Tenzij we kijken naar mensen die zich engageerden in het verzet,
wel wetend dat ze een vrouw als weduwe
en vaderloze kinderen zouden kunnen achterlaten.
Jezus roept zijn leerlingen en ons op om echt vrij te zijn
van gehechtheid aan bezit, van gehechtheid aan ons eigen leven,
van emotionele gehechtheid ook medemensen
vooral als die ons zou beletten de levenskeuze te maken
waarvan we weten dat we die moeten maken.
Dat we dan eventueel ook een kruis moeten opnemen is vanzelfsprekend.
Misschien al het kruis van onbegrip en haat.
Zoals het joodse meisje dat diende te verdragen
dat haar familie haar verstoten had
omdat ze huwde met haar Ethiopische geliefde.
Het evangelie roept ons op tot de echte vrijheid,
niet de vrijheid die geëist wordt door het angstige en egoïstische ik.


Omslagfoto: Sourabh.biswas003, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons