Homilie voor de 25ste zondag door het jaar

19 september 2021

Mc 9, 30-37

In die tijd gingen Jezus en zijn leerlingen weg van de berg en trokken Galilea door; maar Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, want Hij was bezig zijn leerlingen te onderrichten. Hij zeide hun: ‘De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen en ze zullen Hem doden; maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan.’ Zij begrepen die woorden wel niet maar schrokken ervoor terug Hem te ondervragen. Zij kwamen in Kafarnaüm en, eenmaal thuis, ondervroeg Hij hen: ‘Waar hebt ge onderweg over getwist?’ Maar zij zwegen, want ze hadden onderweg een woordenwisseling gehad over de vraag wie de grootste was. Toen zette Hij zich neer, riep de twaalf bij zich en zei tot hen: ‘Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen en de dienaar van allen.’ Hij nam een kind en zette het in hun midden; Hij omarmde het en sprak tot hen: ‘Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op; en wie Mij opneemt neemt niet Mij op, maar Hem die Mij gezonden heeft.

Foto door form PxHere

Hij nam een kind en zette het in hun midden.
Hij omarmde het en sprak tot hen:
‘Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op.
En wie Mij opneemt neemt niet Mij op, maar Hem die Mij gezonden heeft.

In dit laatste vers van het evangelie van deze zondag
komt het werkwoord ‘opnemen’ driemaal voor.

Een eerste keer heeft Jezus het over het opnemen van een kind.
Daarmee bedoelt Hij in de eerste plaats niet een kind ‘adopteren’.
Het is bovendien een kind opnemen in zijn Naam.
Dat is verantwoordelijkheid opnemen en zorg dragen
voor het leven, het welzijn en het geluk van een kwetsbaar iemand,
van een medemens die voor dat geluk, welzijn en leven
afhankelijk is van de hulp en zorg van anderen.
Het opnemen van zorg en verantwoordelijkheid voor een ander
is natuurlijk een uiting van liefde voor iemand.
Maar hier gaat het over dienende liefde. Over dienen.
Dat is duidelijk omwille van het voorgaande vers
waarin Jezus zegt dat diegene die dienaar van allen is
de eerste en grootste is in het Rijk Gods.
De wereldse normen worden compleet omgedraaid.
We kennen dit ook uit Jezus’ woord dat zegt:
“De laatsten zullen de eersten zijn en de eersten de laatsten.”
Zorg dragen en verantwoordelijkheid opnemen is dus ‘dienen.’
Uit andere Jezuswoorden leren we dat dit dienen dient te geschieden
vanuit een houding van de laatste van allen, van de slaaf.
Het dienstbaar zijn is dan onvoorwaardelijk, dat wil zeggen:
het hangt niet af van onze gezindheid of emotionele stemming,
niet van onze instemming, van onze mening over de zinvolheid ervan.
Het is geen kwestie van ‘graag doen’ of ‘willen doen’,
maar van ‘moeten’, zoals een slaaf geen keuze heeft….
Het is ook geen kwestie meer van ‘ik heb er voldoening aan’.
Alleen het belang van de ander telt.
Wie dient met zo’n ingesteldheid
neemt de houding, de ingesteldheid van Jezus aan,
neemt Jezus op, neemt een goddelijke gedaante aan.

Als Jezus zegt dat een kind opnemen Hem opnemen is,
dan kan men denken dat Jezus zich met het kind identificeert.
En er zijn redenen om dit te denken.
We kunnen verwijzen naar de parabel van het laatste oordeel
waarin de koning tot dezen aan zijn rechterhand zegt:
Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt
voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan. 
We kunnen ook denken aan de regel van Benedictus waarin we lezen:
Alle gasten die zich onverwachts aandienen,
 moeten ontvangen worden als waren zijChristus, want zelf zal Hij zeggen:
‘Ik was een vreemdeling en jullie namen Me op.’
En aan allen wordt de gepaste eer bewezen,
vooral aan onze geloofsgenoten en aan vreemdelingen.
Zodra dus een gast wordt aangekondigd,
zullen de overste en de broeders hem tegemoet lopen met alle liefdevolle gedienstigheid.
Eerst bidden zij samen en omhelzen elkaar dan in vrede.
Deze vredeskus wordt pas gegeven nadat men heeft gebeden
omwille van de misleidingen van de duivel.
Bij de begroeting zelf moet alle nederigheid worden betoond
tegenover alle gasten die aankomen of vertrekken.
Men buigt het hoofd of men werpt zich volledig op de grond
en zo aanbidt men in hen Christus, die men inderdaad ook ontvangt. 
Maar ‘Jezus opnemen’ heeft bij Marcus inderdaad ook de betekenis
van het gastvrij ontvangen van Jezus, maar ook van het aanvaarden van zijn boodschap,
dus van zijn oproep tot geloof en bekering en tot navolging.
De die navolging van Jezus realiseer je het best
in het onvoorwaardelijk en liefdevol dienen van de kwetsbare medemens,
van de mens die nood heeft aan jou,
niet diegene aan wie jij nood hebt,
tenzij om te kunnen en mogen liefhebben en dienen.
“Everybody need somebody to love…”
Jezus navolgen doe je het best in de dienstbaarheid
aan de kwetsbare medemens.

Tenslotte is het opnemen van Jezus het opnemen van God.
Dat wij mensen God zouden moeten ‘opnemen’
in de betekenis van het gehoorzaam aannemen van Gods woord
lijkt ons begrijpelijk en aanneembaar.
Dat we dat zouden moeten doen met een ‘slaafse gehoorzaamheid’
klinkt ons al minder aangenaam in de oren.
Dat we nu ook moeten zorg dragen voor het welzijn en geluk van God
alsof Hij een kwetsbaar en hulpbehoevend iemand zou zijn
klinkt de meeste mensen in de oren als grootheidswaan of absolute dwaasheid.
Hij is het toch die ons, kwetsbare en hulpbehoevende mensen, moet helpen?
Hier blijkt nogmaals hoezeer het evangelie ons denken over God
– zelfs als is dat eeuwen door de Kerk voorgehouden – op zijn kop zet.
En wel in deze zin: in ons gelovig bezig zijn moet alle aandacht
van ons eigen behoeftige en kwetsbare ik afgewend worden
en helemaal gericht op God en de medemens,
en wel God omwille van God en de medemens omwille van de medemens.
En dus – hoewel we maar mensen zijn – niet voor ons eigen emotioneel welzijn
en zeker al niet voor ons sociaal aanzien,
en nog minder voor een economisch of politiek belang.
Dat is ook duidelijk in het bidden dat Jezus leert:
‘ik’ komt er nergens in voor,
behalve als deel van een ‘wij’ dat simpelweg vraagt
om het strikt noodzakelijke brood voor alleen vandaag
en om vergeving van schulden.
Voorop staat de zorg voor de Naam, het Rijk en de wil van God.
En als we dan het opnemen-rijtje van Marcus omgekeerd aflopen,
mogen we gerust stellen:
wie God ‘opneemt’ in de navolging van Jezus,
die neemt de kwetsbare medemens op.
Anders is er van navolging geen sprake.
Van geloof dus al evenmin.

‘Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op.’
In het boek Oerwoud van Peter Matthiessen,
over een protestants zendelingkoppel
dat in het Zuid-Amerikaanse oerwoud indianen wil bekeren,
verzucht de mannelijke zendeling, na de dood van hun zoontje:
‘Wat kan, als er geen kinderen om je heen zijn,
de hele ervaring van het leven gemakkelijk een abstractie worden,
een grillig patroon van woorden en dagdromen.”
Konden we maar begrijpen dat God ons tegemoet komt
in ieder verlangen om een ander waarachtig lief te hebben,.
Dat Hij ons dan tegemoet komt om ons te redden
van een ik-gericht en zinloos bestaan.