Homilie voor de 28ste zondag door het jaar

10 oktober 2021

Eerste Lezing: Wijsh 7, 7-11

Ik bad en inzicht werd mij geschonken, ik smeekte en de geest der wijsheid kwam over mij. Ik verkoos haar boven scepters en tronen, en in vergelijking met haar beschouwde ik rijkdom als niets. Zelfs de kostbaarste steen stelde ik met haar niet gelijk, want alle goud is vergeleken met haar slechts stof, en zilver niet meer dan slijk. Ik hield van haar meer dan van gezondheid en schoonheid, en ik stelde haar boven het licht. Want de glans die zij uitstraalt verbleekt nooit. Met haar vielen mij alle goederen ten deel en dank zij haar verwierf ik rijkdommen zonder tal.

Evangelie: Mc 10, 17-30

Toen Jezus zich weer op weg begaf kwam er iemand aanlopen die zich voor Hem op de knieën wierp en vroeg: ‘Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?’ Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed dan God alleen. Ge kent de geboden: Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, gij zult niemand te kort doen, eer uw vader en uw moeder.’ Hij gaf Hem ten antwoord: ‘Dit alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af.’ Toen keek Jezus hem liefdevol aan en sprak: ‘Eén ding ontbreekt u; ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel, en kom dan terug om Mij te volgen.’ Dit woord ontstelde hem en ontdaan ging hij heen omdat hij vele goederen bezat. Toen liet Jezus zijn blik gaan over zijn leerlingen en zei tot hen: ‘Hoe moeilijk is het voor degenen die geld hebben het Koninkrijk Gods binnen te gaan!’ De leerlingen stonden verbaasd over wat Jezus zei. Daarom herhaalde Hij: ‘Kinderen, wat is het moeilijk het Koninkrijk Gods binnen te gaan. Voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen.’ Toen waren ze nog meer verbijsterd en ze zeiden tot elkaar: ‘Wie kan dan nog gered worden?’ Jezus keek hen aan en zei: ‘Dit ligt niet in de macht der mensen maar wel in die van God: want voor God is alles mogelijk.’ Daarop nam Petrus het woord en zei: ‘Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen.’ Jezus antwoordde: ‘Voorwaar, Ik zeg u: er is niemand die huis, broers, zusters, moeder, vader, kinderen of akkers om Mij en om de Blijde Boodschap heeft prijsgegeven, of hij ontvangt nu, in deze tijd, het honderdvoud aan huizen, broers, moeders, kinderen en akkers, zij het ook gepaard met vervolgingen, en in de toekomstige wereld het eeuwige leven.’

Theodoor Verstraete (1850-1907), Naar de dodenwake
Dodenwake: goddelijke volmaakte tijd.

Wijsheid is niet hetzelfde als wetenschappelijke kennis.
Een wetenschappelijk intelligent mens is niet hetzelfde als een wijs mens.
Velen van onze voorouders waren niet ‘geleerd’.
Ze hadden nooit de kans gehad om ‘hogere studies’ te doen.
Hun ouders hadden er het geld niet voor,
ze leefden in een niet-intellectueel klimaat,
‘werken’ was de boodschap en misschien speelden ook de oorlogsjaren parten.
Vooral meisjes waren het slachtoffers van deze toestanden.
Velen onder hen mochten gewoon niet gaan studeren.
Mijn moeder kon maar tot haar 15de naar school.
Maar ze was een uiterst wijze vrouw.
En dat is geen goedkope lofbetuiging die hier dient te charmeren.
Dat is gewoon de waarheid.

Wijsheid is het weten wat hoort en niet hoort.
Wijsheid heeft de maken met de kennis van goed en kwaad.
Wijsheid geeft een antwoord op een vraag als:
“Wat moet ik doen om een goed mens te zijn?”
De vraag luidt niet: “Wat moet ik doen om gelukkig te zijn?”
Voor mensen van wie ik echt hou verlang ik
dat ze goede en gelukkige mensen worden.
De volgorde van de adjectieven is niet zonder belang, integendeel.
Eerst komt ‘goed zijn’. Het ‘gelukkig zijn’ volgt.
In het evangelie staat nergens als gebod: “Wees gelukkig.”
Maar wel vinden we er het gebod van de liefde,
en wel liefhebben zoals God liefheeft.
In de Bergrede heet dat ‘volmaakt’.
“Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.” (Mt 5, 48)
Bij Mattheüs herneemt Jezus dit gebod in zijn antwoord aan de man
die Hem de vraag stelt wat hij moet doen om het eeuwig leven te verwerven.
Lezen we bij Marcus
“Eén ding ontbreekt u: ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen.”,
Dan lezen we bij Mattheüs:
“Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis,
verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen.” (Mt 19, 21)
Wijsheid geeft een antwoord op de vraag:
“Wat moet ik doen om volmaakt te zijn zoals God volmaakt is.”
Dus: om onverdeeld goed te kunnen zijn
en onvoorwaardelijk te kunnen liefhebben?
In evangelische taal heet dat  “eeuwig leven”,
waarbij het begrip “eeuwig” geen tijdsduur aanduidt,
maar wel als synoniem voor “goddelijk” kan gelden.
Die iemand, die bij Jezus kwam aanlopen alsof zijn leven in gevaar was,
– die in het evangelie van Lucas een ouderling of overste blijkt te zijn,
in het evangelie van Mattheüs een jonge man –
stelt ook niet de vraag: “Wat moet ik doen om gelukkig te zijn?”
Hij vraagt inzicht, wijsheid, levenswijsheid.
Het antwoord dat hij uiteindelijk van Jezus krijgt
is precies het tegenovergestelde van datgene
wat de wijsheid van de wereld voorhoudt:
“Zorg maar dat je het goed hebt, dat je niets tekort hebt.”

Richt Jezus ook zijn antwoord tot ieder van ons?
Ja, in deze zin, dat ook voor ons ‘goed zijn’ voorop staat,
dat ook tot ons de eis van een volmaakte goedheid en liefde gericht is.
Ook voor ons geldt dat we moeten loskomen van bezit,
bezit dat moet dienen om ervoor te zorgen dat ‘ik’ het goed heb.
Het is echter geen verminking van de radicale raad van Jezus
als we stellen dat ons verkopen van ons bezit gelegen is
in de wijze waarop we dit bezit besteden, er mee omgaan.

Laten we dit verduidelijken aan de hand van twee immateriële zaken:
tijd en aandacht.
De klacht “Ik heb geen tijd.” of “Ik heb nu geen tijd.” is altijd onwaar.
We hebben wel tijd, we hebben er allemaal evenveel:
24 uren in een dag,  60 minuten in een uur.
Maar wel kunnen we zeggen:
“Ik heb geen tijd voor jou.”, of beter “Ik heb nu geen tijd voor jou.”
Dat laatste kunnen ouders wel eens terecht tot een kind zeggen
en kinderen moeten leren aanvaarden dat niet alle tijd voor hen gereserveerd is.
Maar we mogen wel eens kritisch ons tijdsgebruik bekijken:
voor wie of wat hebben we tijd en ‘maken’ we tijd?
Waar spenderen we onze ‘vrije tijd’ aan?
Is het allemaal wel zo noodzakelijk voor ons geluk?
Of beter: maakt het allemaal van ons betere mensen?
Kinderen en volwassenen leven in ‘drukke tijden’.
‘Ik heb het druk’ wil eigenlijk zeggen:
er zijn veel zaken waaraan ik tijd moet geven,
waarvoor ik tijd moet maken.
En daarnaast zoveel zaken waarvoor ik tijd wil maken!
Omdat ik denk dat ik daarvoor tijd moet maken.
Omdat men – rechtstreeks of onrechtstreeks – zegt dat ik dat moet doen!
Ja, we hebben veel te doen. Kinderen en jongeren ook.
En dat brengt ons bij het gebrek aan stilte in ons leven:
tijd waarin we werkelijk niets doen.
Ik las ergens:
“Ik raakte er steeds meer van overtuigd
dat zowel de huidige verontrustende toename van psychische gezondheidsproblemen
als de uitingen van antisociaal en zelfs gewelddadig gedrag bij jongeren in het westen
te maken hebben met een gebrek aan stilte.”
God is in ieder geval iemand die lijdt aan het gebrek aan stilte.
Waarom zouden mensen tijd maken voor gebed? meditatie? liturgie?
“Wat zou dat bijdragen aan ons geluk?” is de vraag die daarbij gesteld wordt.
Antwoord: niets.
Mijn gebed dient niet om gelukkig te zijn, zelfs niet om me goed te voelen.
Het is tijd die ik weggeef om God in mij de kans te geven
om van mij een beter mens te maken.
De tijd die men niets doende doorbrengt bij een stervende vader
is geen verloren tijd, maar is gegeven tijd, is goddelijke tijd.
Belangeloos tijd schenken aan mensen is goddelijke volmaakte tijd.
Belangloos tijd maken voor God in ons is dat ook!
Dat geldt ook voor aandacht!
Voor wie of voor wat hebben we aandacht?
Tijd en aandacht gaan vaak hand in hand.
En dezelfde vraagstelling kunnen we ook plaatsen bij ons geldgebruik,
bij ons consumptiepatroon.
Aan wat spenderen we geld en energie?
Altijd aan zaken waar we echt beter van worden?
En laat nu maar ‘beter van worden’ een zo ruim mogelijke betekenis hebben.

Wijsheid is dat we ‘beter’ worden van meer loslaten.
Van verstillen, versoberen en eenvoudiger worden.
Ik moet niet voor alles tijd hebben,
omdat ik niet alles moet weten en gezien hebben en ervaren hebben.
Ik moet niet voor alles aandacht hebben
en ik moet zeker niet voor alles geld hebben,
omdat ik gewoonweg niet alles wil!


Omslagfoto: Theodoor Verstraete, Public domain, via Wikimedia Commons