Homilie voor de 32ste zondag door het jaar

7 november 2021

Evangelielezing: Mc 12, 38-44
Bij zijn onderricht zei Jezus: `Pas op voor de schriftgeleerden, die graag in plechtige gewaden rondlopen en graag gegroet worden op het marktplein, graag vooraan in de synagoge zitten, en op de ereplaats bij het feestmaal. Mensen die de huizen van de weduwen opeten en voor de schijn lange gebeden opzeggen. Over hen zal een bijzonder streng vonnis geveld worden.’
Gezeten tegenover de offerkist, bekeek Hij hoe de menigte kopergeld in de offerkist gooide.
Veel rijken gooiden er veel in. Er kwam een arme weduwe, die er twee muntjes in gooide,
ter waarde van een quadrans. Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: `Ik verzeker jullie, die arme weduwe gooide meer in de offerkist dan alle anderen. Want allen gooiden er iets in van hun overvloed, maar zij gooide er van haar armoede alles in wat ze had, heel haar levensonderhoud.’

Afbeelding van Milada Vigerova via Pixabay

Hoe wist Jezus dat de vrouw, die twee muntjes in de offerkist gooide,
een arme weduwe was?
Ze was arm omdat ze slechts twee muntjes ter waarde van een quadrans kon offeren.
Dat was een 64ste deel van het dagloon van een arbeider, dat ook niet bijster veel was.
En ze was arm omdat ze weduwe was en dus wellicht weduwe omdat ze arm was.
Weduwen zonder bezit waren in Israël hét toonbeeld van armoede.
Ze hadden, als ze kinderloos waren, niemand die naar hen omzag
en ook niemand om naar om te zien.
Ze hadden niemand om zorg voor te dragen
en ook niemand om zich heen die zorg voor hen droeg.
Ze waren voor hun leven en levensonderhoud
volledig afhankelijk van de liefdadigheid van anderen.
Het beschermen van en de zorg voor weduwen, wezen en vreemdelingen
werd in het oude Israël als een godsdienstige plicht beschouwd.
Menig profeet uit het Oude Testament klaagde hun uitbuiting en misbruik aan.
Dat was nu precies waar de hypocriete schriftgeleerden zich aan schuldig maakten.
Misschien waren de twee muntjes, die ze in de offerkist wierp,
bovendien een aalmoes die ze kort voordien gekregen had.
Die gaf ze nu aan de tempel in plaats van er een weinig voedsel mee te kopen
Dat gebaar vinden wij compleet onbegrijpelijk
en het wordt nog onbegrijpelijker als we lezen dat ze daarnaast niets meer had.
Ze heeft dus alles gegeven.
Opnieuw nodigt Jezus ook ons echter uit
verder dan onze menselijke reflexen en spontane menselijke overwegingen te kijken.
Die arme weduwe geeft alles wat ze bezit, alles waarvan ze nog leven kan.
Ze geeft dus haar leven. Ze verloochent totaal zichzelf.
Het onaanzienlijke dat ze geeft, dat bijna niets is, is alles.
Dat is de radicaliteit die Jezus van zijn leerlingen vraagt:
alles geven, jezelf geven, jezelf verloochenen.
God is de enige die recht heeft op het enige dat we uiteindelijk nog hebben.
Leven is er voor wie dat durft te geven.
Met Jezus kijkend naar de arme weduwe kunnen we ons afvragen:
wat is dat enige waarvan we zeggen:
“Alles God, maar dat niet!”
Zoals in verzuchtingen als:
“God, je mag alles van me vragen, maar dat niet.”
“God, ik wil alles voor je doen, maar dat niet.”
“God, ik wil alles vergeven, maar dat niet.”
“God, je mag alles hebben, maar dat niet.”
De twee muntjes waren voor de arme weduwe het ‘dat niet’.
Maar alleen God mag het ‘dat niet’ vragen.
Ik weet: het klinkt zo onmenselijk radicaal.
Maar het is daar, waar omwille van de liefde
dat onmenselijk radicale geschiedt, dat een wonder geschieden kan.
Waar het onmogelijke gedaan wordt,
geschiedt ook het onmogelijke, het goddelijke.

Is dat een gebed? Het kan.

Omslagfoto: Afbeelding van Milada Vigerova via Pixabay