Homilie voor de 33ste zondag door het jaar

13 november 2022

Evangelie Lc 21, 5-19
In die tijd merkten sommigen op hoe de tempel daar prijkte met zijn fraaie stenen en wijgeschenken. Toen zei Jezus: “Wat ge daar ziet: er zal een tijd komen, dat er geen steen op de andere gelaten zal worden: alles zal verwoest worden.” Zij vroegen Hem nu: “Meester, wanneer zal dat dan gebeuren?” Maar Hij zei: “Weest op uw hoede, dat gij niet in dwaling gebracht wordt. Want velen zullen optreden in mijn Naam en zij zullen zeggen: Ik ben het, en: Het ogenblik is nabij. Loopt niet achter hen aan. En wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten, laat u dan niet uit het veld slaan. Dat alles moet wel eerst gebeuren, maar het einde volgt niet terstond.” Toen sprak Hij tot hen: “Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk tegen koninkrijk; er zullen hevige aardbevingen zijn, en hongersnood en pest, nu hier dan daar, schrikwekkende dingen en aan de hemel geweldige tekenen. Maar nog vóór dit alles geschiedt zullen zij u vastgrijpen en vervolgen; zij zullen u overleveren aan de synagogen en gevangen zetten, u voor koningen en stadhouders voeren omwille van mijn Naam. Het zal voor u uitlopen op het geven van getuigenis. Welnu, prent het u in, dat gij dan uw verdediging niet moet voorbereiden. Want Ik zal u een taal en een wijsheid geven, die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken. Ge zult zelfs door ouders en broers, door bloedverwanten en vrienden overgeleverd worden en sommigen van u zullen ze ter dood doen brengen. Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn Naam: geen haar van uw hoofd zal verloren gaan. Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.”

Enkele omstaanders wijzen Jezus
op de pracht en de rijkdom van de tempel van Jeruzalem.
Ze denken daarbij wellicht aan wat kort daarvoor gebeurd is.
Onze evangelist Lucas vertelt het kort en bondig:
Toen Hij de tempel binnenging, begon Hij de verkopers eruit te jagen,  
terwijl Hij tot hen zei:
‘Er staat geschreven: Mijn huis moet een huis van gebed zijn,
maar gij hebt er een rovershol van gemaakt.’ (Lc 19, 45-46)
In de evangelies van Matteüs, Marcus en Lucas
lezen we het bericht van de zgn. tempelreiniging op het einde ervan.
Maar in het evangelie van Johannes staat het in het begin
als één van de eerste tekenen die Jezus stelt:
Toen het paasfeest der Joden nabij was, ging Jezus op naar Jeruzalem.
In de tempel trof Hij de verkopers van runderen,
schapen en duiven aan en ook de geldwisselaars, die daar zaten.  
Hij maakte een gesel, dreef ze allemaal uit de tempel, ook de schapen en de runderen.
Het kleingeld van de wisselaars veegde Hij van de tafels en wierp die omver.  
En tot de duivenhandelaars zei Hij:
“Weg met dit alles! Maakt van het huis van mijn Vader geen markthal!” (Jo 2, 13-16)
Uit nog andere plaatsen in het evangelie van Johannes wordt duidelijk
dat Jezus met zijn gewelddadig en stoutmoedig optreden
niet zomaar een einde wil maken aan de commerciële excessen van de tempeleredienst,
maar daarmee ook stelt dat die eredienst, het offeren van dieren,
niet meer beschouwd dient te worden als iets dat God nog wil.
In het offeren van dieren is geen heil meer te vinden.
Deze praktijk brengt het Rijk Gods en het eeuwig leven niet dichterbij.
Ook in het Oude Testament horen we dit inzicht.
Een zeer beperkte bloemlezing om dit aan te tonen:
– Ik haat, Ik verfoei uw feesten, uw vieringen kan Ik niet luchten.  
De brandoffers en meeloffers die gij Mij brengt behagen Mij niet.
Uw vredeoffers van gemeste kalveren kan Ik niet meer aanzien.  
Spaar Mij het lawaai van uw liederen.
De klank van uw harpen wil Ik niet meer horen!  
Neen, het recht moet stromen als water,
 de gerechtigheid als een nooit uitdrogende beek. (Amos 5, 21-25)
– Want vroomheid wens Ik, geen offergaven,
en erkenning van God, meer dan brandoffers. (Hosea 6, 6)
– Gij die offers afwees en geschenken, hebt mijn dove oren geopend.
Brand – en zondoffers zeggen U niets.  
Toen heb ik gesproken: ‘Hier ben ik. Mij geldt wat in de boekrol vervat is:  
God, uw wil te doen is mijn vreugde, uw wet is binnenin mij gegrift.’ (Psalm 40, 7-9)

Aan de tempelliturgie is een einde gekomen.
Als Lucas zijn evangelie samenstelt, is de tempel al deels verwoest.
In augustus 70 liet de Romeinse veldheer Titus de tempel in brand steken.
Maar de verwoesting van de tempel en het einde van de tempelcultus
betekende niet het einde van het geloof in God en van de Joodse religie.
Het Joodse geloof, het Jodendom heeft overleeft dank zij de synagoge.
Was de tempel het machtscentrum van de Sadduceeën,
synagogen waren in iedere Joodse gemeenschap de plaatsen
waar rabbijnen, schriftgeleerden en Farizeeën het voor het zeggen hadden.
De weg naar eeuwig leven en naar het Rijk Gods
wordt er geduid als het onderhouden van de wet,
van de geboden en bepalingen van de Thora, waarin we Gods wil beluisteren.
Die wil heeft God ook in de geest en in het hart van de mens gegrift.
In de synagoge komt men samen om naar de wil van God te leren kennen.
Jezus staat dus veel dichter bij de rabbijnen, Farizeeën en schriftgeleerden
dan bij de Sadduceeën en wordt trouwens zelf soms als ‘Rabbi’ aangesproken.
Ook voor Hem is het doen wat God vraagt, het doen van Gods wil,
de kern van een religieus en godsdienstig leven,
hetgeen mensen verbindt en tot een gemeenschap maakt.
In de Bergrede lezen de volgende woorden van Jezus:
Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen,
maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is. (Mt 7, 21)
En in het Marcusevangelie horen we Jezus zeggen:
Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij, die de wil van God volbrengen. 
(Mc 3, 35)
En de kern van Jezus’ gebed luidt: Uw Rijk kome, Uw wil geschiede.
Met schriftgeleerden en Farizeeën komt Jezus dan toch ook in conflict
over de vraag wat God nu precies wil,  wat de weg ten leven is.
De profeet Jesaja citerend zegt Jezus tot de Farizeeën dat vele religieuze voorschriften
niet de wil van God zijn, maar louter mensenwet:
Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd!
Zo staat er geschreven: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij.  
Zij eren Mij, maar zonder zin, en mensenwet is wat zij leren. (Mc 7, 6-7)
In de synagogen waar Hij optrad en in zijn wandelende synagoge
heeft Jezus de wil van God herleid tot het allerbelangrijkste: de liefde.
De liefde tot God die zich uit in een vertrouwvolle biddende relatie tot God
en in een radicaal liefdevol dienstbaar zijn aan de medemens.
Of zoals Dietrich Bonhoeffer het stelde:
Christen-zijn in zijn tijd zal alleen nog maar bestaan uit twee elementen:
bidden en onder de mensen het goede doen.
Elk denken en praten en organiseren van christenen
moet geboren worden uit dat bidden en dat doen. 
Tot die biddende relatie en liefde is iedereen in staat.
Die liefde is als een wet in het hart van alle mensen gegrift.
De Geest, de kracht tot liefde, is aan ieder mens gegeven.
Maar Jezus heeft die weg ook zelf voorgeleefd en wel tot het uiterste.
Als Hij zijn leerlingen voorhoudt dat ze zullen moeten getuigen
van de weg ten leven – het sterven van het kleine ik –
en van de liefde van God, en dat ze daarom zullen vervolgd worden,
dan heeft Hij dat getuigenis volledig volbracht
en is Hij daarom vervolgd, verworpen en gedood.
De gekruisigde Jezus is daarom de Christus die tot navolging kan oproepen.
De weg ten leven is navolging geworden.
Niet meer offeren, maar jezelf omwille van de liefde als offer geven:
je tijd, je inzet, je aandacht, je talenten, je lichaam
met daarin en daarvan alle mogelijkheden tot uiten en uitdrukken van liefde.
Dit alles kan ons doen nadenken over ons samenzijn in vieringen, in de liturgie.
Daarover schreef de Franse jezuïet François Varillon
dat die discreet dient te zijn, omdat ze anders te ver afstaat
van de sobere, bescheiden, van alles ontdane vorm, zonder valse schijn,
die Jezus haar gegeven heeft.
Over de tempel zei Jezus dat die een huis van gebed diende te zijn.
Liturgie dient in de eerste plaats biddend te zijn:
– het beleven van een vertrouwensvolle relatie tot God, met ons hart bij God zijn;
– het beluisteren van de Schriften om Gods wil op het spoor te komen;
– het gedenken van Jezus bij het delen van brood en beker,
het gedenken van zijn weg van liefde, zich geven als brood en wijn,
en in dat gedenken herinnerd worden aan de oproep tot navolging.
Dit bidden en gedenkend samenzijn verbindt ons in Christus ook dieper met elkaar.
We herkennen elkaar als zusters en broeders,
geroepen tot dezelfde gemeenschap van geest en hart.
We ontvangen kracht tot radicale liefde en dienstbaarheid.


Omslagfoto: Foto van https://www.rgbstock.com/user/micromoth