• Leestijd:8 minuten gelezen

14 februari 2021

Evangelie: Mc 1, 40-45
In die tijd kwam er eens een melaatse bij Jezus die op zijn knieën viel en Hem smeekte: ‘Als
Gij wilt kunt Gij mij reinigen.’ Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit, raakte hem aan
en sprak tot hem: ‘Ik wil, word rein.’ Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd.
Terwijl Hij hem wegstuurde vermaande Hij hem met klem: ‘Zorg ervoor dat ge aan niemand
iets zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft
voorgeschreven, om ze het bewijs te leveren.’ Eenmaal vertrokken begon de man zijn
verhaal overal in het openbaar te vertellen en ruchtbaarheid aan de zaak te geven, met het
gevolg dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen
verbleef. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.

Jezus komt tegemoet aan het grote verlangen van de melaatse:
weer mogen leven onder de mensen,
weer volop en ten volle mogen leven, zijn wie hij is,
een einde van een levenslange en uitzichtloze quarantaine.
– Het is God die in Jezus aan het verlangen van de melaatse tegemoet komt. –
Maar de melaatse komt niet tegemoet aan het verlangen van Jezus:
zwijgen in de pers en de media en voor het grote publiek
over wat er met hem gebeurd is en dus over Jezus.
Het hoeft zelfs niet in Kerk&Leven.
Geen behoefte aan getuigenissen over ‘hoe goed Hij wel is’.
Je kunt je de vraag stellen waarom?

Jezus wil blijkbaar geen succes.
Hij vermijdt de plaatsen van succes en zoekt eenzaamheid op.
Maar waarom doet en zegt Hij dan dingen
die Hem alle aandacht en ‘succes’ opleveren?
Dat Hij dan niets doet en zijn mond houdt
en opnieuw een rustig bestaan als timmerman op zich neemt!
Misschien wil Hij dat als mens wel eens!
Verdomd zo’n herkenbaar verlangen.
Ook Jeremia kende het:
Jer 20, 9 Soms denk ik: Ik wil er niets meer van weten,
ik spreek niet meer in zijn naam.
Maar dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente.
Ik doe alle moeite om het in bedwang te houden maar dat lukt me niet.

Het vuur dat hier in Jezus’ hart en gebeente brandt en niet in bedwang te houden is
is de wil van God, is dus Gods liefde,
voor Jezus in ons wonderverhaal ‘voelbaar’ in medelijden.
De profeet Hosea laat God in heel menselijke taal – bijna té menselijk –
zelf spreken over zo’n onweerstaanbaar gevoel
van barmhartigheid en medelijden dat Hem over de streep trekt
om Israël weer maar eens te herstellen:

Hos 11, 8 Hoe zou Ik echter u kunnen prijsgeven, Efraim, u kunnen overleveren, Israël?
Hoe zou Ik u kunnen prijsgeven, alsof gij Adma waart,
of met u kunnen doen zoals met Seboim?
Mijn hart slaat om, heel mijn binnenste wordt week.
9 Neen, Ik zal mijn vlammende toorn toch niet koelen,
Efraim niet opnieuw te gronde richten, want Ik ben God, Ik ben geen mens,
Ik ben de Heilige in uw midden. Ik laat Mij niet gaan in mijn toorn.

De almacht van God en zijn heiligheid
openbaart zich in zijn onmacht om tegen zijn liefde in te gaan.
Zijn liefde is almachtig. Daar kan niets tegenop.
God kan niet anders dan liefhebben.
Jezus kan niet anders dan genezen.
Dat is zijn zending, zijn roeping (geen beroep of ambt)
die samenvalt met zijn wezen:
uiting en openbaring zijn van Gods liefde,
een levenwekkende, herscheppende, reddende,
verlossende, genezende, vergevende, reinigende liefde.
Dat is zijn messias-zijn, maar heel anders
dan de religieus-politieke messias die men verwachtte in die tijd:
een bestrijder van de Romeinen, een vernietiger van heidenen en zondaars,
een oprichter van een zuivere Israëlitische Staat (IS).
Dat God zijn liefde zou openbaren aan alle mensen
in een lijdende dienaar, in een verworpen profeet,
– van geringe afkomst nog wel en uit ‘een boeregat’ Nazaret –
was voor de mensen van Jezus’ tijd ondenkbaar
en ook voor Petrus en de leerlingen onaanvaardbaar.
Het is pas omwille van de verrijzenis
dat die leerlingen het hebben kunnen aanvaarden en inzien.
Het is pas omwille van dat ultieme herscheppende en levenwekkende gebeuren.
Omwille dus van het leven in de dood.
Dan is definitief geopenbaard wat verborgen was:
Jezus echte identiteit, nl., Messias, Zoon van God.
De eerste die het doorhad was de Romeinse honderdman bij het kruis:
Mc 15, 39 De honderdman die tegenover Hem post had gevat
en zag dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven, riep uit:
“Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.”

Niet een wonder bracht hem dat inzicht.
Ook niet Jezus’ oproep tot geloof en bekering.
Wel het sterven in alle verworpenheid en eenzaamheid.
(Ook de vrouwen stonden op een afstand.
Mc 15, 40 Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken,
onder hen bevonden zich Maria Magdalena,
Maria de moeder van Jakobus de jongere en van Joses en Salome.
41 Zij waren Hem in de tijd dat Hij in Galilea verbleef, gevolgd om voor Hem te zorgen.
Verder nog vele andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem gekomen waren.

Dat Maria, de moeder van Jezus, Maria Magdalena en Johannes onder het kruis stonden
lezen we alleen bij Johannes!)
Jezus wou blijkbaar zijn eigenlijke identiteit verborgen houden voor de massa.
Of zou ze alleen maar geopenbaard kunnen worden aan hen
die Hem navolgen in dood en … verrijzenis?

Mc 14, 36 Maar toch: niet wat Ik maar wat Gij wilt.
Als Jezus tot de melaatse zegt:
Ik wil, wordt rein, dan is Gods wil aan het woord in Jezus’ woord.
De genezing van de melaatse is een goddelijk gebeuren, een wonder,
omdat het beantwoordt aan Gods wil,
ook al is heel het gebeuren een ‘foute’ handeling
tegen de corona-, excuseer, tegen de lepra-maatregelen in:
geen afstand én! … een ‘besmette’ aanraken.
Jezus doet het niet om de aandacht te trekken,
niet uit protest tegen de maatregelen.
Hij ziet wel degelijk in en aanvaardt dat de lepramaatregelen correct zijn.
De meeste toch.
Maar Hij kan niet anders.
God wil het.
Gods wil openbaart zich in Jezus als Gods medelijden,
of anders gezegd: het medelijden dat Jezus beweegt
is zijn innerlijke ervaring van wat God wil.
– Het is niet het ‘Dieu le veut’ (God wil het!) van de kruisvaarders.. –

Maar ook de melaatse overtreedt zijn quarantaine-maatregelen
uit gehoorzaamheid aan Gods wil die zich openbaart in hem
in/als een verlangen naar genezing en bevrijding en leven,
in/als als vertrouwen en moed.
Geloven is een kwestie van leren luisteren
naar onze diepste verlangens
waarin God ons zijn wil toefluistert,
en er moedig in vertrouwen dat ze de weg ten leven zijn:
ons verlangen naar leven,
ons verlangen naar goed zijn en goed doen,
ons verlangen om lief te hebben en ook om bemind te zijn,
– want God wil ons immers liefhebben, heeft ons lief ons verlangen om zorg te dragen voor geliefden,
ons verlangen om ons in te zetten voor velen,
ons verlangen naar stilte
– geen wereldvlucht -.
Huub Oosterhuis verwoordde dit ooit prachtig:
Wees hier aanwezig, woord van licht,
lichtadem, licht van stilte.
Wees hier aanwezig, licht, wees God in mij.
Wees kracht in mij tot liefde,
maak mij los uit doem en noodlot.
Maak in mij kracht tot liefde vrij.
Wees nieuw en vurig, oud en wijs in mij –
wees in mij waakzaamheid, geduld geheugen trouw –
maak mij naar Uw beeld een nieuwe mens.
Wees in mij afkeer van geweld
honger naar gerechtigheid
hoop, ontferming, dorst naar vrede.
Voer mij terug naar de oase van Uw woord.
Wees hier aanwezig, woord van licht,
lichtadem, licht van stilte.
Wees hier aanwezig, licht,
wees God in mij.

Deze homilie is geen pleidooi om het Capitool te bestormen
noch om de coronamaatregelen aan onze laarzen te lappen.
– Corona is trouwens noch wat anders dan lepra. –
De Jezus-figuren in deze tijd
zijn wellicht te vinden in de afdelingen ‘intensive care’,
in hen die zich dag en nacht buigen over coronapatiënten
of over andere zwakken en hulpbehoevenden in onze samenleving.
God genezende aanraking geschiedt nog altijd,
in maar ook buiten de Kerk
– want Gods geest is in ieder mens -.
Wellicht meest door hen die er het minst over praten
en voor wie het dus allemaal niet rondgebazuind dient te worden.

Augustinus schreef: “Bemin, en doe wat je wil.”
Eerst echter wel “bemin”!
Alleen de liefde, het verlangen en de zorg voor
het leven, het geluk en welzijn van anderen,
heeft iets met Gods wil van doen.
en geven een ‘vrijbrief’.
De rest is mensenwet.
Maar mensenwetten kunnen wel met Gods wil iets gemeen hebben.
Gelukkig maar.


Omslagfoto: Raphael, Public domain, via Wikimedia Commons