Homilie voor de derde zondag door het jaar

22 januari 2023

Evangelie: Matteüs 4, 12-23
Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangengenomen, week Hij uit naar Galilea. Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm aan de oever van het meer, in het grensgebied van Zebulon en Naftali, opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja: ,,Land van Zebulon, land van Naftali, liggend aan de zee, Overjordanië: Galilea van de heidenen! Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het land van doodse duisternis gezeten waren, over hen is een licht opgegaan.” Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: ,,Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij.” Eens toen Hij zich bij het meer van Galilea ophield, zag Hij twee broers, Simon die Petrus wordt genoemd en diens broer Andreas. Zij waren bezig het net uit te werpen in het meer; het waren namelijk vissers. Hij sprak tot hen: ,,Komt, volgt Mij; Ik zal u vissers van mensen maken.” Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem. Iets verder zag Hij nog twee broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en diens broer Johannes; met hun vader Zebedeüs waren zij in de boot de netten aan het klaarmaken. Hij riep hen, en onmiddellijk lieten zij de boot en hun vader achter en volgden Hem. Jezus trok rond door geheel Galilea, terwijl Hij als leraar optrad in de synagogen, de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen onder het volk genas.

Foto: https://commons.wikimedia.org/wiki/User:Masur, Public domain, via Wikimedia Commons

Er is wellicht geen universeler symbool voor het goddelijke, het transcendente, dan licht,
licht dat bevrijdend is, mensen bevrijdt uit de duisternis, letterlijk,
maar ook uit de duisternis van onwetendheid en onzekerheid,
en daardoor van angst.
In het Nederlands heeft het werkwoord ‘verlichten’ een dubbele betekenis
die we hier absoluut dienen te vermelden:
het bevrijdende licht brengen
én de druk wegnemen, druk op de schouders, op het hart.
Beide betekenissen komen voor in de profetie van Jesaja,
die we horen in de eerste lezing van deze zondag
en die de evangelist Matteüs citeert
om er de betekenis van Jezus mee aan te duiden:
Het volk dat in het donker wandelt, ziet een groot licht.
Een licht straalt over hen die wonen in het land van doodse duisternis.
Gij hebt hun blijdschap vermeerderd, hun vreugde vergroot. (…)
Want het juk dat zwaar op het volk drukte,
de stang op hun schouders en de stok van hun drijvers:
Gij hebt ze stukgebroken als op de dagen van Midjan.

Laten we even stilstaan bij dat ‘bevrijdend licht’.

Als we het hebben over mensen die verlicht zijn,
dan hebben we het meestal over mensen die tot inzicht gekomen zijn,
mensen die dankzij het denkvermogen bevrijdende waarheid hebben ontdekt
of meegedeelde waarheid hebben ontvangen en begrepen.
Het denken staat dan ook in hoog aanzien
en het wetenschappelijk denken geniet een onbeperkte waardering.
De tijd van de definitieve doorbraak van het gezag van het wetenschappelijk denken
heet dan ook de eeuw of de tijd van de Verlichting.
De mensheid heeft sindsdien een verbazingwekkende evolutie meegemaakt,
een groei van zijn vermogen om de aarde en de natuur te verkennen en uit te buiten
maar ook om veel ziekte en ellende te bestrijden.
Tot een blijvende vredevolle en universeel rechtvaardige wereld
heeft de Verlichting en het daarbij horende antireligieuze sentiment niet geleid.
‘Verlichting’ kan ook verwijzen naar een geloofsgegeven,
een spirituele ervaring in het leven, een moment van bekering,
een tot inzicht komen over de weg naar echt leven en geluk.
Die verlichting is niet zozeer het gevolg van wetenschappelijk en logisch denken,
maar van een genadevol moment, iets wat de mens overkomt,
eventueel na een periode waarin men zoekt naar zin in het leven en echt geluk.
Het is dringend tijd dat verlichting door het verstand en verlichting door de geloof
niet meer als tegengestelden gezien worden
en het geloof en het verstand ook niet meer als onverenigbaar.
Maar als geloof vooral het aannemen van een nieuw en ander leven betekent,
dan stellen we meteen dat bekering en geloof nooit louter het gevolg kan zijn
van verstandelijke inzichten en louter kennis van feiten.
Het weten dat op transport gezette Joden een gewisse dood tegemoet gingen
heeft de politie van Parijs niet weerhouden om aan hun aanhouding mee te werken.
Het weten dat spotgoedkope kledij wellicht gemaakt wordt
door onderbetaalde textielarbeid in weinig benijdenswaardige omstandigheden
belet het overgrote merendeel van de consumeerders niet die kledij te kopen.
‘Wir haben es gewusst’ leidde in het verleden ook niet noodzakelijk
tot verandering van levenswijze, tot inzet en verzet.
Hoezeer informatie en bewustmaking ook noodzakelijk zijn,
verandering in levenswijze dient een diepere motivatie te kennen dan het weten.
Zoiets als liefde voor de waarheid of zin voor rechtvaardigheid.
De bron daarvan situeren we niet in het verstand
maar in wat we in geloofstaal het ‘hart’ noemen,
het hart waarin het vermogen tot liefde inspireert.
Bekering, veranderen van levenswijze,
een leven leiden van louter liefde,
gericht op het leven, de vrede en de vreugde van medemensen,
is het gevolg van een luisteren naar de stem van ons hart,
van een verlicht worden door een goddelijke inspiratie.
Durven we het nu eens duidelijk stellen:
bekering is het gevolg van een relatie met God.
Jezus roept niet zomaar op tot bekering.
Hij geeft ook de reden aan waarom we dat zouden doen:
de nabijheid van het Rijk Gods, de aanwezigheid van God in ons leven,
een God die ons onvoorwaardelijk liefheeft
ons met elkaar in relatie brengt als broeders en zusters,
als gelijkwaardige kinderen.
Het aannemen van deze waarheid verlicht ons
en neemt de druk van ons weg van een wereld
die ons verplicht om te presteren en te hebben
om een waardevol mens te zijn.
Deze waarheid neemt de druk van de geluksprogramma’s,
die de wereld ons opdringt, van ons weg.
Om met Hem die waarheid en daarbij horende oproep tot bekering
te laten horen riep Jezus mensen en hun opdracht
blijft de eerste taak van de Kerk en van de christenen,
van alle gedoopten tot wie Jezus zegt:
‘Gij zijt het licht van de wereld.’
Tot dat licht zijn behoort een sterk beleefde Godsrelatie
die ons aanzet om een ander leven te leiden
dan het individualistische, zelfgenoegzame en consumerende leven,
een leven waarin alleen wat nuttig en aangenaam is een rol mag spelen.
Meer en meer niet kerkelijke denkers durven luider stellen
dat de mens niet zonder religie kan.
Wij moeten durven stellen en geloven dat de mensheid niet zonder God kan,
wel zonder afgoden en valse Godsbeelden.
Het is goed dat steeds meer mensen zonder die leven.
Ze dagen ons uit om een waarachtig Godsbeeld te brengen.
En zelf waarachtig te geloven.
Een nieuw en echt leven te leiden.


Omslagfoto: https://commons.wikimedia.org/wiki/User:Masur, Public domain, via Wikimedia Commons