• Leestijd:9 minuten gelezen

27 december 2020

Evangelie: Lc. 2, 22-40 Toen de tijd aanbrak waarop Maria en het kind volgens de Wet van
Mozes gereinigd moesten worden, brachten zijn ouders Jezus naar Jeruzalem om Hem aan
de Heer op te dragen, volgens het voorschrift van de Wet des Heren: elke eerstgeborene van
het mannelijk geslacht moet aan de Heer worden toegeheiligd, en om volgens de bepaling
van de Wet des Heren een offer te brengen, namelijk een koppel tortels of twee jonge
duiven. Nu leefde er in Jeruzalem een zekere Simeon, een wetgetrouw en vroom man, die
Israëls vertroosting verwachtte, en de heilige Geest rustte op hem. Hij had een godsspraak
ontvangen van de heilige Geest, dat de dood hem niet zou treffen, voordat hij de Gezalfde
des Heren zou hebben aanschouwd. Door de Geest gedreven was hij naar de tempel
gekomen. Toen de ouders het kind Jezus daar binnenbrachten om aan Hem het voorschrift
der Wet te vervullen, nam ook hij het Kind in zijn armen en verkondigde Gods lof met de
woorden: “Uw dienaar laat gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan: mijn ogen hebben
thans uw Heil aanschouwd, dat Gij voor alle volken hebt bereid, een licht dat voor de
heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël.” Zijn vader en moeder stonden verbaasd
over wat van Hem gezegd werd. Daarop sprak Simeon over hen een zegen uit en hij zei tot
Maria, zijn moeder: “Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een
teken dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden.
En uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord.” Er was ook een profetes, Hanna,
een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser. Zij was hoogbejaard en na haar jeugd had zij
zeven jaren met haar man geleefd. Nu was zij een weduwe van vierentachtig jaar. Ze
verbleef voortdurend in de tempel en diende God dag en nacht door vasten en gebed. Op dit
ogenblik kwam zij naderbij, dankte God en sprak over het Kind tot allen, die de bevrijding
van Jeruzalem verwachtten. Toen zij alle voorschriften van de Wet des Heren vervuld
hadden, keerden zij naar Galilea, naar hun stad Nazaret, terug. Het Kind groeide op en nam
toe in krachten. Het werd vervuld van wijsheid en de genade Gods rustte op Hem.

De evangelielezing van het feest van de heilige Familie
in dit – wat de zondagslezingen betreft – liturgische B-jaar, het Marcus-jaar,
is een fragment uit het kindsheidsevangelie van Lucas.
Marcus heeft immers geen kindsheidsevangelie.
Het is de evangelielezing van het feest van Lichtmis, 2 februari,
een feest dat volgend jaar op een dinsdag gevierd moet worden,
maar in vele kerkgemeenschappen op de zondag kort ervoor of kort erna gevierd wordt
en dit, ondanks de jaarlijks herhaalde uitdrukkelijke aanmaning
de viering van dit feest niet naar een zondag te verplaatsen
maar wel degelijk op 2 februari zelf te vieren.
Als men het toch op een zondag viert, dan is dat om ‘pastorale’ redenen:
men nodigt de ouders uit die in het voorbije jaar hun kind hebben laten dopen
en/of men maakt er een mooi lichtfeest voor kinderen van,
in het bijzonder voor eerste communicanten.
En heeft men daarbij het idee
dat men ouders dan laat doen wat Jozef en Maria deden,
– hun kind aan God ‘opdragen’ –
dan is dat toch wel een kleine vergissing.

Dat geschiedde immers in het doopsel zelf.
Maar het kan niet slecht zijn hen daaraan te herinneren…
In het evangelieverhaal van de opdracht van Jezus in de tempel
zijn er drie gegevens die onderwerp van bezinning en uiteenzetting kunnen zijn:
vooreerst, veertig dagen na de geboorte, de rituele reiniging van de moeder;
vervolgens het opdragen of toeheiligen van het kind aan de Heer;
en ten slotte de openbaring van de identiteit van Jezus als
Gods Heil, bereid voor alle volken,
een licht dat voor alle heidenen straalt,
een glorie voor het volk Israël,
iemand die bestemd is tot val of opstanding, tot teken dat weersproken wordt,
tot openbaring van de gezindheid van het hart.
Het is vrij duidelijk dat de aanwezigheid van God in de wereld eigenlijk niet zichtbaar is.
Die van de religies en ook van de Kerk natuurlijk wel.
God doet blijkbaar ook niet zijn best om herkend en erkend te worden,
hetgeen de religies en ook de Kerk wel doen
maar daar niet overal veel ‘zendtijd’ voor krijgen.
God presenteert zich niet op zo’n wijze dat er aan Hem niet meer te twijfelen valt
en dat er dan ook geen sprake meer kan zijn van geloven en vertrouwen,
maar alleen van evident weten.
God bewijst zichzelf niet, hetgeen mensen voortdurend met zichzelf willen doen.
Bij God is er geen sprake van bewijs en van zeker weten.
Het is zoals bij een huwelijkssluiting.
‘Ik zal je liefhebben, waarderen, bij en van jou zijn, altijd…’
Men weet dat niet. Men belooft dat vanuit een geloof,
geworteld in een diep verlangen.
Men vertrouwt erop omdat men elkaar vertrouwt, in zichzelf en in elkaar gelooft.
Er is geen weten zoals men weet dat het volgend jaar weer kerstmis zal zijn,
of dat in 2080 Jupiter en Saturnus aan de nachtelijke hemel zoals op 21 december ll.
weer samen te zien zullen zijn als één heldere ster (conjunctie van planeten)
en dat dit geleden was van 1226!
Ook bij God, hoort dit weten niet thuis.

God valt alleen te benaderen met geloof en vertrouwen en … verlangen!
De vraag mag gesteld worden:
als we God aan de wereld willen presenteren op een succesvolle wijze
presenteren we dan God of onszelf?
Maria en Jozef hebben de identiteit van Jezus ook verborgen gehouden.
Maar hoe komt men dan die identiteit op het spoor?
God openbaart die, maakt die bekend. Aan wie?
Jezus geeft ons een antwoord op die vraag:
Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde,
omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen,
maar ze hebt geopenbaard aan kleinen.
Ja, Vader, zo heeft het U behaagd.
Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven.
Niemand kent de Zoon tenzij de Vader,
en niemand kent de Vader tenzij de Zoon
en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren. (Matteüs 11, 25-27)
Die ‘kleinen’ zijn eenvoudigen, nederigen, ‘armen van geest’,
mensen die niet vol zijn van zichzelf,
leven met een open hart en een open geest.
Herders en wijzen (niet koningen!!) bijvoorbeeld.
Of mensen die leven met een diep verlangen,
met verwachting, mensen die waakzaam zijn, uitzien naar,
en zich niet blindstaren op wat hier en nu te verkrijgen en te koop is,
die niet alleen leven bij het ogenblik, die niet opgaan in de wereld.
Zoals Simeon bijvoorbeeld.
Door Jezus aan God op te dragen, Hem aan God toe te heiligen (wijden),
maken Jozef en Maria ook iets bekend over de identiteit van Jezus:
Hij is van God, Hij behoort aan God, zoals alle leven aan God toebehoort.
Eeuwen later zou de Libanese dichter Kahlil Gibran (1883-1931) het nogmaals verwoorden:
Je kinderen zijn je kinderen niet.
Zij zijn de zonen en dochters van ‘s levens hunkering naar zichzelf.
Zij komen door je, maar zijn niet van je,
en hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe.
De oude Joodse wijsheid, die ook nog steeds de onze is,
bevat wel een verder gaande belijdenis,
die ook Paulus verwoordde in zijn brief aan de Romeinen:
Zolang wij leven, leven wij voor de Heer,
en sterven wij, dan sterven wij voor de Heer.
Of wij leven of sterven, Hem behoren wij toe. (Romeinen 14, 8)
Eerder dan (in de betekenis van ‘eerst’, ‘wezenlijk’) te behoren bij mensen,
behoren we aan God.
We dienen niet op te gaan in loyauteit aan menselijke verbondenheid
als deze niet geschiedt in gebondenheid aan God,
de zekere grond voor een universele verbondenheid met mensen.
Sociologisch bekomen mensen hun identiteit vanuit het ‘behoren tot’:

behoren tot een bepaald geslacht, een bepaalde generatie,
een bepaalde cultuur, een bepaald volk, een bepaalde clan, stam, familie,
een bepaalde beroepsgroep, sociale laag van de bevolking.
Maar dat alles bepaalt ons diepste identiteit niet.
Tot onze diepste identiteit behoort dat we van God zijn
en, willen we aan die identiteit beantwoorden,
dan dient er meer in ons leven te geschieden dan te beantwoorden
aan de levenswijze van ons geslacht, onze generatie, onze cultuur,
ons volk, onze familie, clan, stam, beroepsgroep, stand.
Om het leven te leiden waartoe we ten diepste bestemd zijn
dienen we ons los te maken van onze gebondenheid aan de wereld
en van onze gebondenheid aan mensen.
Dat is de boodschap die schuilgaat achter Jezus’ harde woorden:
Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder,
zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters,
ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn. (Lucas 14, 26)
Dat is veel verder gaande dan de sympathieke raadgeving: “Wees maar jezelf.”,
die gewoonlijk niet meer inhoudt dan een aansporing tot het volgen
van de emotionele gelukprogramma’s die ons ego opstelt
en waarbij dat ego goed luistert naar de wereld of er zich tegen afzet.
In verband met dit laatste noteert Laurence Freeman:
Onszelf zijn is vaak louter een bevestiging van het ego,
dat anders, speciaal en apart wil zijn en de eerste plaats probeert in te nemen. (*)
Ook hier mag de vraag gesteld worden:
wie ontdekt zijn of haar ware identiteit? wie wordt zich daar bewust van?
waar? wanneer?
Misschien is een andere bewustwording daarvoor noodzakelijk,
van een ander aspect van onze diepste identiteit: ik ben bemind, aanvaard.
Om onze identiteit te ontdekken, om bewust te worden van ons wezen,
om onszelf te kunnen zijn – bemind en tot beminnen bestemd -,
hebben we mensen nodig die ons onze diepste identiteit helpen ontdekken:
mensen die ons liefhebben en mensen die ons roepen tot liefde,
die in ons het verlangen wakker roepen om verantwoordelijkheid te dragen
voor het leven, het geluk en welzijn van anderen.
De openbaring van God gebeurt via mensen.
Dat was voor Jezus ook het geval.
Ook Hij had nood aan samenleven, aan een familie, een ‘heilige familie’,
een gemeenschap die een leerschool van liefde is.
Van daaruit kon Hij de plaats ontdekken waar Hij echt thuishoort:
bij God en bij de mensen.
Ook voor ieder van ons is die plaats ergens…

Ergens…, ‘Somewhere there’s a place for us’… uit de musical West Side Story,
over twee jonge mensen die het ‘behoren tot’ een bepaalde clan durven doorbreken:

There’s a place for us
Somewhere a place for us
Peace and quiet and open air
Wait for us somewhere
There’s a time for us
Someday a time for us
Time together with time to spare
Time to look, time to care
Someday
Somewhere
We’ll find a new way of living
We’ll find a way of forgiving
Somewhere
There’s a place…

BroadwaySpain, CC BY-SA 4.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0, via Wikimedia Commons

(*) Laurence FREEMAN, Sprekende stilte. Over christelijke meditatie, blz. 45. Dit boek is mijn
inzien het beste boek van Freeman over meditatie en bevat een schat aan wijsheden.


Omslagfoto: Afbeelding van Robert Cheaib via Pixabay