• Leestijd:10 minuten gelezen

3 januari 2021

Evangelie: Mt. 2, 1-12
Toen Jezus te Betlehem in Juda geboren was, ten tijde van koning Herodes, kwamen er te
Jeruzalem Wijzen uit het Oosten en vroegen: Waar is de pasgeboren Koning der Joden?
Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn gekomen om Hem onze hulde te
brengen. Toen koning Herodes dit hoorde, werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem.
Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen en legde hun de vraag
voor, waar de Christus geboren moest worden. Zij antwoordden hem: Te Betlehem in Juda.
Zo immers staat er geschreven bij de Profeet: en gij Betlehem, landstreek van Juda, gij zijt
volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman te
voorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk Israël. Toen ontbood Herodes in het
geheim de Wijzen en hij vroeg hun nauwkeurig naar de tijd waarop de ster verschenen was.
Daarop zond hij hen naar Betlehem met de opdracht: Gaat een zorgvuldig onderzoek
instellen naar het Kind, en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan, opdat ook ik
Het hulde kan gaan brengen. Na de koning aangehoord te hebben, vertrokken zij. En zie, de
ster die zij in het Oosten gezien hadden, ging voor hen uit, totdat ze boven de plaats waar
het Kind zich bevond, stil bleef staan. Op het zien van de ster werden zij vervuld van
overgrote vreugde. Zij ging het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op
hun knieën neervallend betuigden zij Het hun hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn
en boden Het geschenken aan: goud, wierook en mirre. En in een droom van Godswege
gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg
naar hun land.

Keulen is een stad waar ik me echt thuis voel en dus graag heen ga.
Tijdens mijn legerdienst (1981-1982) heb ik die sta
– hoewel ik deel uitmaakte van het BSD-garnizoen Aken – heel goed leren kennen
toen ik er tijdens de weekends aalmoezeniers ging vervangen
en samen met hoofdaalmoezenier Virgil Nijs – een wijs en goed priester –
er lange verkennende wandelingen maakte.
We bezochten iedere keer de Dom van Keulen.
De bouw ervan startte op 15 augustus (Maria Tenhemelopneming) 1248,
maar zou pas in 1880 voltooid worden.
‘Der Kölner Dom’ was toen het hoogste gebouw ter wereld.
Virgil leerde me dat de burgers van Keulen – niet de aartsbisschop –
zo’n immense kathedraal wilden neerpoten
om de grootsheid van hun stad aan te tonen.
Ze zouden het ook opgevat hebben als een stenen schrijn
om het kostbaarste bezit van de stad:
het reliekschrijn met daarin het gebeente van de ‘drie koningen’…
In 1164 bracht aartsbisschop Rainald van Dassel deze vanuit Italië naar Keulen.
Ze waren een geschenk van keizer Frederik Barbarossa (1122-1190)
die ze, na overwinningen in Lombardije, meegenomen had uit Milaan,
waar ze sinds 344 verbleven.
De moeder van keizer Constantijn de Grote (273-337),
Helena (248-329) had ze in 325 in Palestina ontdekt…
De edelsmid Nicolaas van Verdun (1130-1205) en zijn atelier
werkten bijna 50 jaar aan het gouden reliekschrijn
waarin meer dan 1000 edelstenen verwerkt zijn.
In 1864 werden voor het eerst de relieken onderzocht.
Men trof in het schrijn de gebeenten aan
van een 12-jarige jongen en van twee mannen van 30 en 50 jaar.
De gebeenten waren in kostbare stoffen gewikkeld.
In 1979 werden die stoffen gedateerd als afkomstig uit de 2de of 3de eeuw.
Het Domkapittel weigerde toen verder onderzoek van de gebeenten.
In ieder geval kon men vroeger ook al bedenken
dat de gebeenten niet deze waren van de ‘drie koningen’.
In het evangelie van Matteüs is immers geen sprake van koningen,
zelfs niet van wijzen, maar van magiërs.
Hoeveel er bij Jozef en Maria op bezoek gekomen zijn is ook niet duidelijk.
Omwille van de drie geschenken – goud, wierook en myrrhe –
heeft men hun aantal op drie gehouden.

Amoli at pl.wikipediaCC BY-SA 3.0 – via Wikimedia Commons

In de oorspronkelijke Griekse tekst van het evangelie
is er dus geen sprake van ‘wijzen’.
Dat is in het Grieks een ‘sofos’.
In de Griekse tekst staat er ‘magoi’, te vertalen als ‘magiërs’.
We ontmoeten dat woord verder nog éénmaal in heel het Nieuwe Testament,
namelijk in het boek der Handelingen der Apostelen waar verteld wordt
dat Paulus en zijn gezellen op het eiland Cyprus de magiër Barjezus aantreffen,
een valse profeet, die mensen van het geloof probeert af te houden (Hand 13).
Geef toe, de magiërs die bij Jezus op bezoek komen, zijn veel sympathieker.
Waar hielden magiërs zich in Jezus’ tijd mee bezig?
Het was hen te doen om ‘leven’ en ‘overleven’ en ‘eeuwig leven’,
dat laatste wel degelijk in de zin van niet ouder worden en niet sterven.
Sommigen waren op zoek naar een magische levenssteen,
een soort meteoriet die uit de hemel gevallen was
en een ‘hemelse goddelijke stof’ bevatte,
die de mensen het eeuwig en goddelijk leven bezorgde.
Anderen waren op zoek naar dé levensbron met water
uit het diepste van de aarde,
een magisch levenselixir, een magisch soort Goldwasser.
Niet ouder worden en niet sterven was (en is?) blijkbaar
de droom van veel mensen, maar vooral van de rijken en de machtigen,
die hun rijkelijk leven graag wat verlengd zagen …
Nog andere magiërs keken naar de sterren om er tekens en aanduidingen te vinden
die van belang waren voor het leven en overleven hier op deze planeet:
wanneer is het de goede tijd om te zaaien? wanneer mag er oorlog gevoerd worden?
en is het een gunstige tijd om zaken te doen of je dochter uit te huwelijken?
of welke persoonlijkheidskenmerken zal een kind hebben
dat geboren is onder een bepaald gesternte?
Geef toe, allemaal weer zaken
waar machtigen en koningen sterk in geïnteresseerd waren.
Ze hadden dan ook allemaal zo’n magiërs en sterrenkijkers in dienst.
De astronomie stond nogal in dienst van de astrologie.
Men zocht voor het leven hier-en-nu nuttige informatie.
Wat hebben ‘magiërs’ dan bij Jezus gevonden
dat ze zo vervuld werden van ‘overgrote vreugde’?
De magische steen? Het magische elixir? Een geheime levenscode?
Wat zochten ze eigenlijk?
Het zien van een ster verschafte hen ‘overgrote vreugde’.
In het geboorteverhaal in het evangelie van Lucas
wordt die vreugde ook door de engelen aan de herders verkondigd.
Er staat letterlijk: ‘ik verkondig jullie de blijde boodschap van overgrote vreugde’.
Wat de engel voor de herders was, is de ster voor de magiërs:
een aanwijzing, een boodschapper.
Waarnaar ze werkelijk op zoek waren was wel degelijk ‘eeuwig leven”.
En dat is wat de evangelist ook wil duidelijk maken:
bij Jezus en door Jezus is eeuwig leven te vinden.
Maar de woorden ‘eeuwig leven’ krijgen hier een andere betekenis
en worden ontdaan van hun ‘magische’ betekenis.
De woorden ondergaan een bekering.
Net als de magiërs zelf.
Die hebben bij Jezus dé weg naar echt en eeuwig leven gevonden.
Ze hebben daarbij wellicht ontdekt dat echt en eeuwig leven
weliswaar deelnemen aan het goddelijke leven is, maar dat dit niet betekent:
een gegarandeerde blijvende gezondheid, macht en blijvend succes en rijkdom
of een eeuwig durend aards leven waarbij altijd alle wensen in vervulling gaan.
Ze hebben ontdekt dat echt en eeuwig leven
weliswaar diepe vrede en vreugde met zich meebrengt
en dat de weg daartoe wel een leven is in eenheid met God,
maar dat deze weg een weg van liefde is, van onverdeelde goedheid, van barmhartigheid,
van waarheid en rechtvaardigheid, een weg van zelfgave en dienstbaarheid.
En verder: dat dit leven te vinden is in de navolging van Jezus:
Nadat Hij behalve zijn leerlingen ook het volk bij zich had laten komen,
sprak Hij tot hen: “Wie mijn volgeling wil zijn,
moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, zal het redden. (Mc 8, 34-35)
En verder: Toen nam Petrus het woord en zei:
“Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen.”
Jezus antwoordde: Voorwaar, Ik zeg u: er is niemand die huis, broers, zusters, moeder, vader,
kinderen of akkers om Mij en om de Blijde Boodschap heeft prijsgegeven,
of hij ontvangt nu, in deze tijd, het honderdvoudig aan huizen, broers, zusters, moeders,
kinderen en akkers, zij het ook gepaard met vervolgingen,
en in de toekomstige wereld het eeuwige leven. (Mc 10, 28-30)
Hebben de magiërs alles prijsgegeven?
Zijn het wijzen geworden?
Weten ze nu dat je, als je zo’n ‘eeuwig leven’ wilt leiden,
je moet leren je ik aan de kant te zetten,
dat ik met zijn dromen van een gegarandeerde blijvende gezondheid,
dat ik met zijn dromen van rijkdom, macht, aanzien, succes,
dat ik waardoor koning Herodes volledig beheerst wordt,
het ego waarvan Herodes het beeld is?
Hebben ze ontdekt dat dit echte leven niet zomaar gegeven wordt,
maar dat wie gelooft dit leven in zich draagt en de kracht ontvangt het te leiden?
Weten ze nu dat wie zijn leven wil redden en behoeden het zal verliezen,
maar wie zijn leven leert verliezen het leven zal vinden?
Zijn ze bekeerd?
Ze doen in ieder geval geen zaken meer met Herodes,
doen dus niet wat het grote ‘ego’ dicteert.
De drang om alles te weten en onder controle te houden
werd bekeerd tot het verlangen om zich onvoorwaardelijk te geven.
Het zoeken om zich te ontplooien in carrière en consumptie
werd bekeerd tot het verlangen om louter een goed mens te zijn.
De ijver om een zelfstandig en zelfredzaam nuttig en efficiënt burger te zijn
werd bekeerd tot het verlangen om een wijs en solidair medemens te zijn.
Naar de sterren keken ze in het vervolg misschien
alleen nog uit verwondering en bewondering, zoals wij dat doen.
We voelen, nee, we weten ons daarbij wie we zijn: klein en nietig.
En daar voelen we ons niet ongelukkig bij.
Herodes mag zijn elixir en zijn Goldwasser en zijn stenen houden.
Niet terug naar Herodes.
We nemen ook een andere weg in het leven.
Een weg die Jezus heeft geopenbaard.
Een weg die leidt naar diepe vrede en vreugde
en een vredevolle en vreugdevolle samenleving.
Onze zoektocht kan nu alleen maar een zoeken zijn
naar de wijze om die weg in ons leven waar te maken.
Misschien een levenslange zoektocht.
Daarom zingen monniken en monialen dagelijks meermaals:
“God, kom mij te hulp. Heer, haast u mij te helpen.”
Een van de oudste mantra’s in het christendom.
Laten we dus niet doen alsof wij al wijs zijn,
het allemaal al weten, gevonden hebben.
Want, hebben wij ons al bekeerd?

Het hoeft niet altijd ‘klassiek’ te zijn.
Bono, pseudoniem van Paul David Hewson (Dublin, 10 mei 1960), is een Ierse muzikant die
vooral bekend is als leadzanger van de rockband U2. Hij is ook een activist en zet zich in voor
vele projecten, vooral in Afrika. Hij komt openlijk uit voor zijn geloof.
But I still haven’t found what I’m looking for vind ik op mijn lijf geschreven, aansluitend op de
laatste zinnen van deze homilie. Het is een gospel-song en de ‘you’ in het lied mogen we
rustig heel spiritueel als Christus duiden. Dat wordt bevestigd in het laatste deel van de song.
De eerste link geeft ook de tekst weer.
De tweede link maakt duidelijk dat het wel degelijk om een gospel-song gaat.
Ook dit is voor mij heel ‘meditatieve’ muziek.


Omslagfoto: Dirk Bouts , Public domain, via Wikimedia Commons