• Leestijd:7 minuten gelezen

10 januari 2021

Evangelie: Mc 1, 7-11 In die tijd predikte Johannes: ‘Na mij komt die sterker is dan ik, en ik
ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb u gedoopt
met water maar Hij zal u dopen met de heilige Geest.’ In die tijd vertrok Jezus uit Nazaret in
Galilea en liet zich in de Jordaan door Johannes dopen. En op hetzelfde ogenblik dat Hij uit
het water opsteeg, zag Hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich
neerdalen. En er kwam een stem uit de hemel: ‘Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde. In U heb
Ik welbehagen.’

We hebben graag dat onze vormelingen bij de zalving
voor de priester staan in wat we de ‘geaarde’ houding noemen:
de voeten iets uit elkaar, het lichaam goed recht maar ontspannen,
ook het hoofd (fier) rechtop, de armen heel los en ontspannen naast het lichaam.
We oefenen en duiden die houding vanaf de eerste catechesebeurt.
Ieder ziet ze zo voor zich.

Barry Silver from Tokyo, CC BY 2.0 https://creativecommons.org/licenses/by/2.0, via Wikimedia Commons

Het is een houding die vrijheid en zelfvertrouwen uitdrukt.
Dit zelfvertrouwen en die vrijheid zijn ‘gegrond’,
zijn ‘geaard’ in een bewustzijn, een besef, een weten.
Men weet zich aanvaard, bemind.
Men heeft geen angst en men voelt geen schaamte.
Men hoeft zich aan niets of aan niemand vast te klampen,
men hoeft zich niet te verbergen en ook niet te bewijzen.
Men kan zich laten zien zoals men is

niet zoals men wil zijn omdat men denkt dit te moeten zijn –
omdat men weet dat men ‘graag gezien wordt’.
Deze prachtige Zuid-Nederlandse wending komt naar mijn weten
in geen enkele andere taal voor.
Waardoor weet men zich bemind, aanvaard, graag gezien?
Het is een diep aanvoelen dat gegroeid is.
Die groei wordt bevorderd door woorden, tekens, gebaren.
Maar vaak zijn die niet overvloed-ig aanwezig.
Zo stelt men graag dat bij vroegere generaties
ouders niet met zoveel woorden en fysieke aanrakingen (knuffels)
duidelijk maakten, dat ze hun kinderen ‘graag zagen’.
Dit tekort zou nu verholpen zijn.(?)
Anderzijds zien we dat veel vormelingen moeite hebben met die ‘geaarde’ houding.
En men weet ondertussen ook dat veel lieflijke woorden, tekens en gebaren
met liefde niet veel te maken hebben.
‘What’s love got to do with it?’ zingt Tine Turner.
Een glimlach kan een uiting zijn van ‘graag zien’ of van het besef ‘graag gezien te worden’.
Maar het kan ook een uiting zijn van schaamte, van betrapt zijn,
of een masker waarachter jaloezie of begeerte schuilgaat.
En toch weet een kind dat het bemind is
als zijn verschijnen een glimlach op het gezicht van ouders tevoorschijn tovert.
Als volwassene weet je ook wanneer je ergens welkom bent, ‘echt’ welkom bent.
Dat denk ik toch… Dat weet ik.
op hetzelfde ogenblik dat Hij uit het water opsteeg…
We vertellen onze vormelingen dat de geaarde houding
de houding is van Jezus die uit het water opstijgt en druipnat aan de oever staat.
Die hoort duidelijk dat Hij bemind is:
Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde. In U heb Ik welbehagen.
Als we de Griekse tekst van het Marcusevangelie wat anders vertalen,
dan lezen we: “in U ben ik verheugd”.
“Dit heugt me” betekent: dit doet me goed, doet me deugd.
Het gebruikte Griekse werkwoord is eudokeoo.
eu betekent “goed” en dokeoo zoiets als “te voorschijn komen, schijnen”.
Het is een werkwoord dat in het Nieuwe Testament
door de evangelisten en Paulus alleen gebruikt wordt
als ze het hebben over God die zich verheugt in mensen,
zoals we het in het Oude Testament lezen bij Jesaja:
Men noemt u niet langer Verstotene, en uw land niet langer Verlatene,
maar gij zult heten: Mijn Welbehagen en uw land: Gehuwde.
Want de Heer heeft welbehagen in u en uw land wordt gehuwd.
Zoals een jongeman een meisje huwt, zo zal Hij, die u opbouwt, u huwen.
En zoals de bruidegom blij is met zijn bruid, zo zal uw God zich verblijden om u.
(Jesaja 62, 4-5)
En het ligt nog wat na te zinderen in ons liturgisch geheugen:
Opeens voegde zich bij de engel een hemelse heerschare.
Zij verheerlijkten God met de woorden:
‘Eer aan God in den hoge en op aarde vrede
onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.’ (Lucas 2, 13-14)
Ik durf dus wat vrijelijk vertalen:
“de mensen door wie God zich goed voelt, er goed uitziet, straalt…”
‘Zich goed voelen’ is geen opgepept gevoel door middelen,
door een gecreëerde ambiance en ‘er goed uitzien’
heeft niets te maken met kledij of cosmetica
(die eigenlijk niets kunnen verhelpen aan het gebrek aan ‘uitstraling’).
Het verschijnen van de geliefde, het zien van de geliefde
maakt innerlijk de vreugde om-en-in-het-zijn van de ander wakker
en wekt meteen het verlangen om bij-en-voor die ander te zijn,
voor het zijn en wel-zijn van die ander zorg en verantwoordelijkheid te dragen.
God wil de mens doen leven, wil de mens redden
en heeft daartoe zijn Zoon gezonden, omdat Hij de mens ‘graag ziet’,
omdat de mens bron is van goddelijke vreugde.
Inzet en engagement vanuit morele plicht is in orde.
Inzet vanuit ‘vreugde’ om de ander is van een andere orde.
Wat is de reden dat God de mens ‘graag ziet’?
Er is geen reden.
Dat de mens Gods liefde zou wekken is beeldtaal.
Het is zeer betekenisvolle nonsens.
Gods liefde moet niet ‘gewekt’ worden. Hij is liefde.
Wij moeten Gods liefde niet wekken.
We hoeven ons bij God dus niet ‘bemind te maken’.
We hoeven ons voor God niet ‘mooi te maken’.
We zouden het bij en voor medemensen ook niet moeten doen…
En toch wordt daar ontzettend veel tijd en energie in gestoken!
God ziet trouwens niet naar het uiterlijk en naar uiterlijk gedoe.
Dat leren we in het verhaal van de uitverkiezing en zalving van David.
Toen zij (de profeet Samuël en zijn gevolg) aankwamen,
viel zijn blik op Eliab en hij dacht:
Die daar voor Jahwe staat is ongetwijfeld zijn gezalfde!’ Maar Jahwe zei tot Samuël:
Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte.
Hem wil ik niet. Want God ziet niet zoals een mens ziet.
Een mens kijkt naar het uiterlijk, maar Jahwe naar het hart.’ (1 Samuël 6-7)
Bijzonder opvallend is dan, dat vlak voor de uiteindelijke keuze
zo nadrukkelijk het uiterlijk van David ter sprake komt:
De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen.
Nu zei Jahwe: `Hem moet gij zalven: hij is het.’
Mag ik die nota over Davids uiterlijk weer eens vrijelijk hertalen:
“De jongen was rossig, had een geaarde blik en een geaard voorkomen.”
Hij straalde gewoon zelfvertrouwen en vertrouwen uit.
Er was iets in David dat ‘klikte’ met Gods verlangen, met zijn vreugde,
en David straalde uit zijn ogen en heel zijn houding dat ‘iets’ uit.
Dat wou niet zeggen dat David moreel volmaakt zou zijn of blijven…
Wordt Gods liefde niet gewekt – ze is eigenlijk niet te wekken! –
door uiterlijke schoonheid – schoonheid naar menselijke normen -,
ze wordt ook niet ‘gewekt’ door onze goedheid, onze morele volmaaktheid,
onze ethische prestaties, door ons beantwoorden aan de principes,
aan de goddelijke verwachtingen.
De uitverkiezing en de liefde van God voor zijn volk maakt dat duidelijk.
De hele oudtestamentische ‘historie’ is een verhaal van een liefde
die niet gewekt wordt maar er altijd is, ondanks..
Geloven is die liefde toelaten. Geaard zijn in die liefde.
Is Gods glimlach beantwoorden met een glimlach
en deze doorgeven aan anderen.
En jullie weten het al:
“Een glimlach zal voldoende zijn, die worden we niet moe.”
Laten we het lied waaruit we dat vers pikken maar eens horen.
Van Boudewijn de Groot, dé kleinkunstenaar uit onze jeugdjaren,
de tijd dat het besef zou moeten groeien dat we bemind zijn.

Ik heb gekozen voor deze life-versie van “De engel is gekomen”.
Maar voor wie nog eens de studioversie wil horen:

Een mooie afsluiter van de Kersttijd.
Al is dat geen “Stille Nacht”.


Omslagfoto: Giotto di Bondone, Public domain, via Wikimedia Commons