• Leestijd:6 minuten gelezen

25 december 2020

Puer natus est nobis,
et filius datus est nobis :
cuius imperium super humerum eius :
et vocabitur nomen eius, magni consilii angelus. (Jesaja 9,5)
Cantate Domino canticum novum :
quia mirabilia fecit. (Psalm 98,1)


Want een kind wordt ons geboren,
een zoon wordt ons gegeven.
De heerschappij rust op zijn schouders.
Men noemt hem: Wonder van beleid.
Zingt voor de Heer een nieuw lied,
want wonderen heeft Hij gedaan.

Zij legde Hem neer in een kribbe,
omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.
Het Griekse woord kataluma
dat we in het oorspronkelijke Griekse Lucas-evangelie lezen
en wij gewoonlijk met herberg vertaald krijgen,
komt in de evangelies nog éénmaal voor, namelijk in de aanvang van het passieverhaal,
als Jezus zijn leerlingen opdraagt:
Gaat naar de stad en daar zult ge een man tegenkomen die een kruik water draagt.
Volg hem en zegt aan de eigenaar van het huis waar hij binnengaat:
De Meester laat vragen: Waar is de zaal (kataluma) voor Mij,
waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?
Er is dus geen sprake van een hotel of B&B zoals wij die kennen
en waar Jozef en Maria niet welkom zouden geweest zijn
omdat ze arme mensen of vreemdelingen waren.
Ze waren in Bethlehem geen ‘vreemdelingen’
en we mogen ons toch wel ernstig de vraag stellen
of Jezus’ ouders arme en onbemiddelde mensen waren.
Ieder (groot) huis beschikte over een vertrek, gewoonlijk een bovenzaal,
waar men gasten kon logeren.
We hoeven ons daarbij geen luxe voor te stellen.
Het gastenkwartier van de middeleeuwse abdij van Orval
beschikte voor gewone gasten over een slaapzolder,
waarvan de grond bedekt was met stro of hooi
en waar men een plekje kon aangewezen krijgen.
Men lag er naast elkaar in de kleren waarmee men reisde.
Op de pelgrimswegen deden kerken op die wijze ook dienst als kataluma.
Daarnaast waren er ook particulieren die een vertrek ter beschikking stelden.
Dat was in Jezus’ tijd in de steden en dorpen rond Jeruzalem eveneens het geval.
Uiteraard kon er eenvoudig weg wel eens geen plaats (meer) zijn.
Het Lucas-evangelie laat daarom niet zomaar een ‘sociale’ lezing van dit gegeven toe.
Er is geen sprake van bijzonder armoedige toestanden, van uitsluiting of discriminatie
en persoonlijk hou ik niet van dergelijke instant-interpretaties.
Dat het kind in hooi of stro te slapen werd gelegd was niet zó uitzonderlijk.
Wat Lucas hier echter wel wil benadrukken is
dat de goddelijkheid, de messiaanse grootheid en de waardigheid van het kind
niet door uiterlijke omstandigheden duidelijk gemaakt wordt, integendeel.
Er is ook geen erkenning van die goddelijkheid en messiaanse grootheid
door de politieke en religieuze grootheden van die tijd,
maar alleen door herders, in het Jodendom van Jezus’ tijd
een beroepsgroep die gelijkgesteld werd met bandieten en tollenaars,
ondanks het feit dat de aartsvaders herders waren
en God nog altijd als ‘Herder van Israël’ werd aangeroepen.
Die herders hoeven nu echter ook niet onmiddellijk heilig verklaard te worden.
De goddelijke identiteit van het kind werd hen ‘geopenbaard’.
Ze hadden het niet uit zichzelf.
Wel is het zo dat die identiteit aan hen geopenbaard werd,
niet aan de religieuze en politieke grootheden,
en ook niet aan de theologische grootheden van die tijd.
Dat gebeurt in het Lucas-evangelie pas later, als Jezus twaalf jaar oud is
en Hij te midden van de leraren zat,
naar wie Hij luisterde en aan wie Hij vragen stelde.
Allen die Hem hoorden,
waren verbaasd over zijn begrip en zijn antwoorden. (Lucas 2,46-47).
Daar is het niet de bedoeling van Lucas aan te duiden
dat Jezus heel eenvoudig en simpel als één van hen tussen de leraren zit,
maar dat Hij met kop en schouder in wijsheid boven hen uitsteekt.
Het kind groeide op en nam toe in krachten.
Het werd vervuld van wijsheid en de genade Gods rustte op Hem. (Lucas 2, 40)
En met de jaren nam Jezus toe
in wijsheid en welgevalligheid bij God en de mensen. (Lucas 2, 52)

Het ‘verbaasd’ zijn (je baas, je meerdere gevonden hebben) van de leraren
is ook nog geen erkenning van de goddelijke identiteit van Jezus,
van de erkenning van zijn Messias-zijn, van zijn zending
en is absoluut nog geen teken van geloof, van bereidheid tot navolging.
Het is een reactie die ook de vele mensen hadden
die hoorden wat Jezus verkondigde en die de wonderen zagen die Hij verrichtte.
Verbazing, verwondering en bewondering, wild enthousiasme kunnen een begin zijn
van liefde, van geloof, maar ook van haat en jaloezie.
“Wat een schone viering!” – “Wat een mooie preek!” Laat maar.
Heden: ‘Hosanna!’. Morgen: ‘Kruisig hem!’.
Bevat het geboorteverhaal bij Lucas, te horen op kerstavond,
nog geen al te duidelijke verwijzing naar het niet erkend
en aanvaard worden van de messiaanse waardigheid van Jezus,
het evangelie dat te horen is op kerstmis zelf,
de zgn. proloog van het Johannesevangelie, des te meer.
Het ware Licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld.
Hij was in de wereld, de wereld was door Hem geworden,
en toch erkende de wereld Hem niet.
Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet. (Johannes 1, 9-11)
Johannes schreef dit met het oog op het feit dat de Joodse religieuze overheid
de messiaanse waardigheid van Jezus niet erkend heeft
en ook de christenen uit de Joodse geloofsgemeenschap gezet had.
Mogen we dit zomaar verruimen naar ‘de mensheid’, en ons bij die mensheid rekenen?
Verbaasd zijn, verwonderd zijn, bewonderen, enthousiast zijn is één iets.
Navolgen is een ander iets.
De geboorte van het kind Jezus herdenken
is voor de meesten een vrijblijvende en mooie bezigheid vol traditie en romantiek.
Ook wie niet gelovig is kan daar zelfs nog aan meedoen.
Verbazing en verwondering kunnen hier vervangen worden door ontroering
God toelaten in ons leven (‘het zijne’) is iets anders.
Toelaten dat God in ons en met ons en door ons in de wereld komt,
zich in de wereld openbaren kan, zich present kan stellen
door onze onverdeelde goedheid, onvoorwaardelijke liefde,
door onze vergevingsgezindheid en barmhartigheid,
door onze inzet voor vrede en rechtvaardigheid,
door ons verzet tegen onrecht en trivialiteit (alleen wat nuttig en vermakelijk is telt).
De God toelaten die aan onze baatzucht een halt toeroept,
die aan onze vrijheid een halt toeroept,
die ons oproept tot onbaatzuchtige inzet, tot liefde voor de vijand.
De God toelaten die voor mijn ‘ego’ niet (meer) nuttig is
en al zeker niet vermakelijk is, maar veeleisend ambetant.
Onze rust verstorend…
Waarom wordt die God niet aanvaard?
Ja, Hij die zich openbaart in iedere medemens die mij halt toeroept en een beroep doet
op mijn goedheid, mijn liefde.
In deze zin is onderstaande afbeelding weliswaar niet exegetisch verantwoord,
maar wel ‘gelovig’.

Dit voor wie nog tijd heeft en nog nood heeft aan enige ontroering.
Er zijn voor velen nog wel moeilijke tijden geweest met kerstmis. Tijden met verbazing…


Omslagafbeelding: Afbeelding van Andreas Böhm via Pixabay