Homilie voor het hoogfeest van de Openbaring van de Heer

8 januari 2023

Evangelie: Mt 2, 1-12
Toen Jezus te Betlehem in Juda geboren was, ten tijde van koning Herodes, kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het Oosten en vroegen: Waar is de pasgeboren Koning der Joden? Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen. Toen koning Herodes dit hoorde, werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem. Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen en legde hun de vraag voor, waar de Christus geboren moest worden. Zij antwoordden hem: Te Betlehem in Juda. Zo immers staat er geschreven bij de Profeet: en gij Betlehem, landstreek van Juda, gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman te voorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk Israël. Toen ontbood Herodes in het geheim de Wijzen en hij vroeg hun nauwkeurig naar de tijd waarop de ster verschenen was. Daarop zond hij hen naar Betlehem met de opdracht: Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar het Kind, en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan, opdat ook ik Het hulde kan gaan brengen. Na de koning aangehoord te hebben, vertrokken zij. En zie, de ster die zij in het Oosten gezien hadden, ging voor hen uit, totdat ze boven de plaats waar het Kind zich bevond, stil bleef staan. Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde. Zij ging het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij Het hun hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn en boden Het geschenken aan: goud, wierook en mirre. En in een droom van Godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg naar hun land.

Openbaren is bekend maken, laten zien, tonen aan
en ook misschien wel tot inzicht brengen, tot inzicht laten komen.
We vieren op het feest van de Openbaring
dat Jezus van Nazaret zich aan de hele wereld laat zien als de Messias,
dat bij Hem het leven te vinden is dat we zoeken,
een leven van diepe vrede en vreugde, een goddelijk leven.
Als we naar het verhaal van de Wijzen uit het Oosten luisteren,
geschiedt dat zoeken en dat vinden ‘with a little help from my friends’.
Die vrienden van de Wijzen waren de sterren.
De Wijzen – ‘magiers’ in de Griekse tekst – lieten zich leiden door de sterren.
De herders in het Lucasevangelie lieten zich leiden door de engelen
en die gaven aan deze ongeletterde mensen min of meer klare aanduidingen:
een pasgeboren kind, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.
Maar laten we de zaken even anders bekijken.
Ik wil op dit feest vieren wat ik in de kersttijd te vieren heb:
dat God om zich kenbaar te maken, om zich te openbaren, om zich te laten zien
en ook om mensen nabij te zijn, mens is moeten worden.
In en met en door de mens Jezus van Nazaret, geboren uit Maria,
openbaart God zich aan de wereld, aan de mensen, laat Hij zich zien.
Jezus van Nazaret is de openbaring van God.
Daarom krijgt het kind van de Wijzen geschenken die bij een godheid
en in de liturgie thuishoren.
Kunnen we echter nog het ergerlijke van deze boodschap vatten.
Het ergerlijke én het wonderlijke!
Ik probeer dit met een beeld te verduidelijken.
Stel dat iemand je een groot geschenk belooft
en hij overhandigt je een tamelijke grote doos,
mooi ingepakt en met de verplichte strik errond.
Je bent al verwonderd en lichtelijk geirriteerd
omdat het pak zo licht weegt.
Je scheurt de verpakking eraf en opent de dood.
Daarin een andere doos en in deze doos weer een andere nog kleinere.
En zo gaat het maar door en je opent meer verder en verder,
met de moed der wanhoop, steeds meer geërgerd,
tot je het allerkleinste doosje opent en er een hostie aantreft.
Is dat het? Is het slechts dat?
Is dat de Redder, de Christus, de Heer?
Dat kwetsbare machteloze kind van kleine machteloze mensen?
Kon God zijn grootheid en macht niet op een andere manier openbaren?
Welke grootheid, welke macht?
Het gaat over de openbaring van zijn wezen dat liefde is.
Niet over een grootheid die iets te maken heeft met wereldse rijkdom en macht.
Tot Pilatus zegt Jezus: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld!”
Jezus’ koningschap voorstellen met gouden gewaden en kronen is on-evangelisch.
Dat Jezus de openbaring is van God maakt Hij zelf aan zijn leerlingen duidelijk
als Hij bij het afscheid Filippus op het hart drukt:
“Wie Mij ziet, ziet de Vader.”
Wie af wat zagen de herders, de wijzen.
En wie zagen de leerlingen:
een slaaf die de voeten wast, een leraar die de slavendood sterft.
Nee toch!!!!
Hoezeer toch nodigen de geboorteverhalen en de lijdensverhalen
ons uit om over een radicaal andere wijze over God te denken,
los van macht, van rijkdom, van pracht en praal.
De Franse jezuiet François Varillon heeft het over de nederigheid van God.
En in dit verband verwijst hij ook naar de uiterst eenvoudige en minieme tekenen
waarmee Jezus wil herinnerd worden: een stuk brood, een slok wijn.
Nee, toch! Is dat het? Is het slechts dat?
Weet je voor wie dit voldoende is?
Het antwoord lezen we in het jubelend danken van Jezus:
“Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde,
omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen,
maar ze hebt geopenbaard aan kleinen.”
Het woord ‘kleinen’ is in dit verband nog ergerlijker dan ‘eenvoudigen’
en het Griekse woord ‘nèpios’ betekent ‘onmondig’ of ‘zuigeling’,
diegenen wiens mond nog niet in staat is woorden te spreken,
laat staan ‘wijze en verstandige woorden’,
maar alleen nog maar melk kan zuigen.
Daarom, zolang de Kerk terug
een machtige en in de wereld succesvolle organisatie wil worden,
iets van betekenis voor de wijzen en verstandigen van deze wereld,
zolang zal ze er niet in slagen Gods liefde te openbaren.
En dat dienen we op dit feest immers ook te gedenken:
dat wij als christenen, elk afzonderlijk en in gemeenschap,
geroepen zijn om Gods liefde te openbaren.


Omslagfoto: Foto door form PxHere